Claim de leeuw!

Regeringsleiders gebruiken graag de geschiedenis om claims te leggen op bepaalde gebieden of om hun machtspolitiek te legitimeren. Poetins expansiestreven in de voormalige Sovjet-republieken is hiervan een duidelijk voorbeeld. In de middeleeuwen werden dergelijke claims getoond via een simpel maar visueel zeer effectief teken: het wapenschild. Met een heraldisch symbool kon je namelijk meer doen dan je identificeren op het slagveld (‘ik hoor bij jou!’). Zo liet in 1340 de Engelse koning Edward III in zijn wapenschild naast de drie gouden leeuwen van Engeland de bekende Franse lelies opnemen. Hiermee wilde hij laten zien dat hij recht had op de Franse kroon en dat hij niet voor niets een paar jaar eerder een oorlog was begonnen om deze claim kracht bij te zetten. Die oorlog zou uiteindelijk meer dan honderd jaar zou duren (zie ook hier) en het resultaat is bekend: Frankrijk bleef voor de Fransen.

schermafbeelding-2017-02-19-om-15-21-42
Willem II van Holland heraldisch verbeeld als graaf van Holland (links) en graaf van Zeeland (rechts). Uit: Matthew Paris, Historia anglorum. Londen, British Library, ms. Royal MS 14 C VII f. 141v.

In de Nederlanden kwamen dergelijke heraldische claims ook voor. Het meest bekende voorbeeld is de adellijke familie Van Brederode. Sinds de dertiende eeuw voerden de heren van Brederode namelijk een rode leeuw op een gouden veld. En dat was toevallig ook het wapen van de graven van Holland…. De Brederodes ‘braken’ wel het wapen met een zogenoemde barensteel (een horizontale balk met drie hangers) om te laten zien dat zij afstamden van een zijtak van het huis van de Hollandse graven.

De leeuw is het dier dat het vaakst voorkomt in de heraldiek van de middeleeuwen. Ik schreef daar eerder over in deze blogpost. Dat is geen toeval. Het dier staat voor kracht, moed, trots en gerechtigheid en dat zijn allemaal eigenschappen waarmee vooral vorsten en edelen zich graag mee wilden associëren. Ook in de Nederlanden voerden de heersers van de meeste vorstendommen een leeuw: Vlaanderen, Brabant, Limburg, Henegouwen, Gelre, Zeeland en natuurlijk Holland. Soms was die leeuw gekleurd (rood, zwart, blauw of groen) dan weer voorzien van een metaal (goud of zilver). De graven van Holland voerden in ieder geval vanaf het einde van de twaalfde eeuw de rode leeuw op een gouden veld, dus eerder dan de heren van Brederode.

De heren van Brederode pasten wel voortdurend hun wapenschild aan, al naar gelang de politieke omstandigheden of vanwege een prestigieuze huwelijksalliantie. Zo deelde Reinoud I van Brederode (1336-1390) de Holllandse leeuw met de barensteel, met de rode leeuw van Valkenburg op een zilver veld, aangezien zijn moeder uit het geslacht van de heren van Valkenburg stamde. In het Wapenboek Beyeren  is dat goed te zien.

brederode-in-beyeren
De heer van Brederode (Reinoud I), geflankeerd door de drossaard van Henegouwen en de heer van Ligne in het Wapenboek Beyeren. De drie wapenschilden dragen een miniatuur banier, ten teken van het feit dat hier om baanderheren gaat, ridders die een eigen compagnie aanvoerden. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 79 K 21 (zie hier)

Tot en met Walraven II van Brederode (1462-1531) bleven de heren dit wapen voeren. In de vijftiende eeuw verwijderden ze echter de barensteel waardoor het volle wapen van Holland opeens zichtbaar werd. In de partijtwisten die het graafschap in die tijd teisterden, bevonden de Brederodes zich in het Hoekse kamp. De Hoeken betwistten actief de legitimiteit van de Bourgondische heersers als graven van Holland. Hertog Filips de Goede dacht in 1445 een slimme zet te doen door de aanvoerder van de Hoeken, Reinoud II van Brederode (1415-1473), op te nemen in de prestigieuze Orde van het Gulden Vlies.

Toen brak de heraldische strijd pas goed los. De Kabeljauwen, de gezworen tegenstanders van de Hoeken, drongen er bij de hertog op aan dat Reinoud II zijn wapen moest breken met een barensteel omdat hij immers afkomstig was uit een bastaardtak van de graven van Holland (zie ook hier). Volgens chroniqueur Jan van Leiden liet Filips het uitzoeken in ‘alle die oude scriften’ die te vinden waren in de abdij van Egmond en in de archieven in Den Haag. Conclusie: ‘doe vant men al tesamen gelogen’. Reinoud en zijn opvolgers mochten het ongedeelde wapen gewoon blijven voeren.

reinoud-ii-van-brederode
Wapenschild van Reinoud II van Brederode in het wapenboek van de ridders van het Gulden Vlies. Hier is goed te zien dat Reinoud het ongedeelde wapen van Holland voert, zonder barensteel. Dat de rode leeuw van Valkenburg hier bruin is geworden komt doordat de zilververf is geoxideerd (zie hier voor meer uitleg door Marjolijn Kruip). Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, ms. 76 E 10.

Thijs Porck heeft in dit artikel aangetoond dat Jan van Leiden in zijn kroniek, geschreven in opdracht van Reinouds echtgenote Yolanda van Lalaing, aan de hand van een vervalste genealogie wilde aantonen dat de heren van Brederode wel degelijk in een legitieme lijn afstamden van het Hollandse gravenhuis en verder nog van Troylus. Deze legendarische  stichter van Troje zou zelfs hetzelfde wapenschild als de heer van Brederode zou hebben gevoerd!

Maar er is meer. Van Leiden vermeldt niet dat Reinoud II zijn wapen helemaal  niet hoefde te breken omdat het immers al gebroken was met de Valkenburgse leeuwen. Hij had niet alleen de Trojaanse afstamming maar ook het verhaal van de Kabeljauwen  uit zijn duim gezogen. Dat werd in 1531 duidelijk toen Reinoud III van Brederode (1492-1556), een kleinzoon van Reinoud II, het waagde om op een toernooi in Gent en op de stadspoorten van Utrecht het volle wapen van de graven van Holland te tonen, terwijl dat natuurlijk toebehoorde aan Karel V.  Begin dat jaar was hij zijn overleden vader Walraven II opgevolgd en hij besloot toen blijkbaar om het wapen van Valkenburg te laten vervallen. Daardoor bleef het volle wapen van Holland over en dat was niet de bedoeling in de ogen van de toenmalige bewindhebbers. Mogelijk was Reinoud III geïnspireerd door de geschriften van Jan van Leiden want hij liet in die tijd juist een flink aantal kopieën van de Brederode-kroniek vervaardigen (zie hier).

brederode-toernooi-bodl_douce93_roll397-4_frame12
Gebedenboek van Yolanda van Lalaing, echtgenote van Reinoud II van Brederode en mogelijk opdrachtgeefster van de kroniek van de heren van Brederode door Jan van Leiden. Oxford, Bodleian Library, ms. Douce 93.

Toch vraag ik me af of Reinoud III echt de bedoeling heeft gehad om keizer Karel V te schofferen. Zijn grafelijke pretenties zouden in de Nederlanden van rond 1530 geen schijn van kans hebben gehad. Het was misschien eerder zijn bedoeling om als ‘the best of the rest’ te worden beschouwd. Hij wilde zich onderscheiden als edelman afkomstig uit een roemrijk adellijk geslacht met grafelijke wortels. Op deze manier plaatste hij zich boven andere edelen (Egmond, Croÿ, Wassenaar etc.) die op hun beurt bezig waren om zich te profileren aan het hof van Karel. Dat Brederode zich juist op een toernooi wilde bewijzen, toont aan dat zijn heraldische boodschap bedoeld was voor zijn standgenoten en natuurlijk voor de toeschouwers. Maar waarom liet de edelman ook op de Utrechtse stadspoort zijn wapenschild aanbrengen? Suggesties? Sowieso is het opmerkelijk dat een edelman blijkbaar zijn herkenningsteken kon aanbrengen op het symbool bij uitstek van stedelijke autonomie.

Karel V kon dit niet zomaar laten passeren en daagde de edelman voor het gerecht. Reinoud III kreeg een jaar tijd om zijn wapen weer aan te passen maar hij werd zeker niet met een doodvonnis bedreigd zoals latere historici wel hebben beweerd (zie hier). Dat betekent dat de soep zeker niet zo heet werd gegeten als zij werd opgediend. Op deze prent van  Cornelis Anthonisz. is duidelijk te zien dat Brederode gehoor gaf aan het vonnis. Hij wilde zijn positie als vooraanstaand edelman en hoveling, en als bezitter van talrijke heerlijkheden niet op het spel zetten voor een wapenschild. De confrontatie met de ‘echte’ leeuw was hem net een brug te ver.

rp-p-ob-39-795
Cornelis Anthonisz. Heren van Brederode, van Zyphridus tot en met Reinoud III (recht blad). Geheel rechts is Reinoud III van Brederode te zien met daarboven zijn wapenschild (de Hollandse leeuw, hier met barensteel) en daarnaast het wapenschild van zijn echtgenote. Amsterdam, Rijksmusem, RP-P-PB-39.795

Willem van Oranje als toernooiridder

Historici raken niet uitgepraat over Willem van Oranje. Onlangs verscheen er weer een nieuw boek over de goede man waarin het beeld van de idealistische vrijheidsstrijder zou worden bijgesteld. Doorgaans staat in deze publicaties ‘Willem de staatsman’ centraal. We komen minder te weten over ‘Willem de edelman’ die zich in de hoogste kringen begaf. Voordat hij gebrouilleerd raakte met de Spaanse koning deed hij gewoon alles wat van iemand met een dergelijke status werd verwacht.

Zo bezocht (toen nog) kroonprins Filips II op 21 september 1549 Breda in het kader van zijn rondreis door de Nederlanden. Stadsheer Willem van Oranje, pas zestien jaar oud, verwelkomde de prins en zijn gevolg hartelijk. Calvete de Estrella, hoveling en geschiedschrijver van Filips II, beschrijft het bezoek als volgt:

‘Op het plein waar hij [Filips] langskwam op weg naar het kasteel [van Breda], waren vele spelen ingericht waaronder een kameel bereden door zes bepantserde en gewapende kinderen met rode mutsen en ontblote zwaarden waarmee ze tegen een verschrikkelijke reus en reuzin vochten, die dansten op het geluid van de zwaarden. Hoewel er geen triomfbogen of tekstborden waren opgesteld, werden er wel veel vuren ontstoken, zowel op het plein als in de straten.’

kasteel-van-breda
Kasteel van Breda rond 1600. Bron: klik hier

Calvete de Estrella had grote bewondering voor het kasteel van Breda dat maar liefst vijf slotgrachten telde en een arsenaal ‘met veel en zeer goede artillerie’. De schrijver zag bovendien direct de Spaanse link van de Nassaus op de kasteelmuren; hij herkende namelijk het wapenschild van doña Mencía de Mendoza, de echtgenote van Willems oom en voorganger als heer van Breda, Hendrik van Nassau. In de avond was er een groot feest op het kasteel, terwijl het vorstelijk gezelschap de volgende dag de mis bijwoonde in de Grote Kerk en het grafmonument van de Nassaus bezocht.

praalgraf Jan IV en Engelbrecht van Nassau
Praalgraaf van Jan IV en Engelbrecht I van Nassau in de Grote Kerk van Breda

De week ervoor was Filips II nog in Antwerpen waar verschillende toernooien werden georganiseerd. Ook de piepjonge Willem van Oranje deed mee aan het toernooi te voet op 14 september dat plaatsvond op de Grote Markt. Hij werd bijgestaan door een ‘padrino’, de ambassadeur van de Johanniterorde Pedro de Felices. Het ging er namelijk niet zachtzinnig aan toe. In totaal deden er 22 ridders mee, veertien Spanjaarden en acht uit de Nederlanden. Zij vochten in teams van vier of zes ridders met de piek, de lans, de werpspeer en het zwaard. Voor iedere categorie was er een prijswinnaar. Willem excelleerde blijkbaar niet want Filips van Sint Aldegonde won de prijs voor de beste zwaardvechter terwijl de overige prijzen aan Spaanse edellieden toevielen. Ook al had de kroonprins deelgenomen aan de meeste toernooien die tijdens zijn rondreis werden georganiseerd, dit keer keek hij van een veilige afstand toe samen met zijn vader Karel V en de rest van de keizerlijke familie.

beloeil evere 1549
Toernooi in het open veld bij Evere in 1549 door Jan Cornelisz. Vermeyen. Collectie Kasteel van Beloeil en IRPAKIK, Brussel

Het was bijzonder dat zowel edellieden uit de Nederlanden als van het Iberisch Schiereiland deelnamen aan die toernooien. Dat betekent dat al de Spaanse edelen hun speciale toernooi-uitrusting hadden meegenomen op de lange reis die zij hadden gemaakt in het kielzog van Filips II. En  blijkbaar konden zij zonder al te veel moeite in het strijdperk treden tegen hun Nederlandse standgenoten. Gedurende hun opvoeding hadden zij allemaal een uitgebreide militaire training gehad die in zekere zin universeel was voor de Europese adel. Het spel met de zes als ridders uitgedoste kinderen in Breda verwijst naar deze gemeenschappelijke achtergrond en was dan ook zeker herkenbaar voor de kroonprins. Die speelde al op jonge leeftijd met speelgoedridders en kende complete passages van het beroemde epos Cantar de mio Cid uit zijn hoofd.

schermafbeelding-2017-01-20-om-00-03-22
Toernooi te Antwerpen in aanwezigheid van Filips de Schone, ca. 1496. Valenciennes, Musée des Beaux Arts, O.A. 87. 19

De toernooien tijdens de reis van Filips II waren er in eerste instantie natuurlijk ter vermaak, niet alleen van de hovelingen maar ook van de stadsbewoners die in groten getale kwamen kijken naar hun toekomstige vorst. Tegelijkertijd moesten de toernooien de integratie van de adel uit het immense Habsburgse Rijk bevorderen. Filips II had net voor de reis naar de Nederlanden een compleet nieuwe hofhouding gekregen. En in die hofhouding moesten edelen van verschillende komaf intensief met elkaar samenwerken, net als in het leger. Juist  een toernooi, waar men niet alleen tegen maar ook met elkaar vocht, kon de teambuilding onder de adel versterken. En tijdens de afterparties, kreeg de verbroedering nog een extra impuls door samen te drinken en te dansen. Dit samenzijn leidde er echter niet toe dat Willem van Oranje of zijn adellijke leeftijdsgenoten in het huwelijk traden met Spaanse schonen. Daarvoor was de sociale, culturele en geografische kloof net iets te groot.

Frauderende historici

In alle beroepsgroepen komen fraudeurs voor. U kent ze wel: bankiers, advocaten, maar ook kosters en recent autofabrikanten. En ja zelfs binnen onze eigen club zijn er sjoemelaars. Plagiaat is natuurlijk een bekende vorm van wetenschappelijke fraude, ook al is het niet even makkelijk historici hierop te betrappen en komt het bedrog meestal pas jaren na dato uit. Een andere vorm van wetenschappelijk bedrog is het verzinnen of manipuleren van onderzoeksgegevens. Natuurlijk zijn er bekende gevallen van vervalste middeleeuwse oorkonden en de Utrechtse hoogleraar Otto Opperman maakte er in de eerste decennia van de twintigste eeuw zijn levenswerk van om deze op te sporen. Toen hij beweerde dat de stadsrechten van Haarlem, Delft en Alkmaar vervalsingen waren, werd hij echter teruggefloten door verschillende collega’s, onder wie Johan Huizinga.

Christoffel Butkens
Christoffel Butkens

Opperman wilde voorkomen dat historici gebruik zouden maken van oneigenlijk onderzoeksmateriaal. Het vervalsen en vervolgens gebruiken van dergelijke bronnen was in het verleden namelijk wel eens voor gekomen. Een van de meest geruchtmakende voorbeelden van een dergelijk frauduleus historisch onderzoek is de ‘zaak Van Lynden’. Hoofdrolspeler in deze zaak was Christoffel Butkens (1590-1650). Butkens was een geestelijke die zijn carrière begon als novice in het cisterciënzerklooster Sint-Salvator te Antwerpen. In 1631 werd hij er prior en uiteindelijk vond hij er ook zijn laatste rustplaats. De Antwerpse vorser staat vooral bekend om twee gedrukte werken. Het eerste, over het geslacht Van Lynden (of Lienden), verscheen in 1626 en het tweede, over de geschiedenis van het hertogdom Brabant en de belangrijkste adellijke families aldaar, in 1641.

Ook in de zeventiende eeuw bestond er al een kritisch corps van geschiedbeoefenaars die, zonder de mogelijkheden van het wereldwijde web, in staat waren om elkaar te controleren en te corrigeren. Met name aan het boek over het geslacht van Lynden hing een luchtje; Butkens traceerde de geschiedenis van het geslacht tot in de twaalfde eeuw aan de hand van diverse niet goed te controleren bronnen.  Kort na het verschijnen van het werk, nam zijn Utrechtse collega Arnold van Buchel (1565-1641) Butkens de maat in een manuscript waarin hij inscripties, grafzerken en andere bijzonderheden van vele kerken in de Nederlanden inventariseerde. Zo noteerde hij in zijn beschrijving van het interieur van de kerk van Heukelum:

‘Volgens Butkens is hier achter het hoofdaltaar een raam waar vrouwe Elisabeth van Lienden met Otto van [Arkel, heer van] Heukelum, haar man, geknield afgebeeld is, met hun wapens, namelijk: Arkel, de Lek, Hoorn, Putten; Lienden, Keppel, Polanen, Brederode. Dit bleken verzinsels te zijn. Er is namelijk niets dergelijks te vinden, en niemand kan zich er iets van herinneren.’

Fragment uit Annales généalogiques de la maison de Lynden, divisées en XV livres van C. Butkens.
Fragment uit Annales généalogiques de la maison de Lynden, divisées en XV livres van C. Butkens.

Ook recent onderzoek toonde aan dat het boek over het geslacht Van Lynden (deels) gebaseerd is op gefingeerde oorkonden, dubieuze kronieken, verzonnen wapenschilden en niet bestaande grafmonumenten. In het boek nam Butkens een lijst op van deelnemers aan een toernooi dat in februari 1235 zou zijn georganiseerd door graaf Floris IV in Haarlem. Prominent onder de deelnemers, geen verrassing wellicht, ene Floris heer van Linden ende ter Lee. Dat Floris IV al in juli 1234 overleed, overigens aan verwondingen opgelopen tijdens een toernooi te Corbie, is misschien een klein detail; met dateringen nam men het toch niet zo nauw. Maar er zitten meer onregelmatigheden in de lijst. Met studenten van de Universiteit van Amsterdam heb ik tevergeefs geprobeerd alle deelnemers te identificeren. Sommige personen kunnen zeker in het tweede kwart van de dertiende eeuw gesitueerd worden. Anderen leefden echter veel later of hebben helemaal geen sporen achter gelaten in de toch al niet overvloedige dertiende eeuwse bronnen.

Toernooi te Haarlem, 1305. Schoolplaat van J. Isings.
Toernooi te Haarlem, 1305. Schoolplaat van J. Isings.

Jammer want het zou om een uniek toernooi kunnen gaan en zeker wat betreft de dertiende eeuw is onze informatie over dit soort ridderlijke evenementen schaars. Zou iemand werkelijk in staat zijn om een complete lijst van deelnemers uit zijn duim te zuigen alleen maar om een opdrachtgever een illuster verleden – als toernooideelnemer samen met de Hollandse graaf – te bezorgen? De spreiding van het toernooi over drie dagen, de verdeling in ridders en knapen en zelfs de participatie van geestelijke gezagsdragers, maken het voor mij een alleszins geloofwaardige bijeenkomst.

Het register waaruit Butkens citeert, zou zijn bijgehouden door de griffier van het Hollandse hof. Helaas bestond deze functie nog niet in 1235 en is het register, ‘geïntituleert de ridderlijcke tournoyen ende hantspel des graefschap van Hollant’, niet bewaard gebleven…. Toch ziet het afschrift dat Butkens zelf maakte van het register er authentiek uit, inclusief enkele duidelijke overschrijffouten, die hij in de gedrukte versie weer corrigeerde.

Origineel afschrift van Butkens (bron: Hoge Raad van Adel, Archief Familie van Slingelandt)
‘Den 8. February sijn ghekommen mijn heer engendist heer.’ Het woord ‘engendist’ heeft hij in de druk gecorrigeerd in ‘ende genadichste’. Origineel afschrift van Butkens (bron: Hoge Raad van Adel, Archief Familie van Slingelandt)

Opmerkelijk genoeg hebben ook andere zeventiende eeuwse historici het register gebruikt, zoals bijvoorbeeld de Leidse hoogleraar Marcus Zuerius Boxhorn (1612-1653). Boxhorn vermeldt hieruit een toernooi georganiseerd door graaf Floris V (1254-1296) in het onnavolgbare jaartal MCCXXCX. Van vier met name genoemde edelen – onder wie opnieuw een heer van Linden en Ter Lee, dit keer Dirk – wordt het wapenschild beschreven en hun wapenkreet. Van Buchel was opnieuw zeer sceptisch en vermoedde op basis van deze vermelding dat het een verzinsel was van Butkens.

Al met al staat Butkens er niet zo goed op. Toch pleit ik voor eerherstel voor de Antwerpse monnik. Hij  bezocht namelijk vele archieven in de huidige Benelux en maakte daar  kopieën en ´extracten´ van de talloze documenten die door zijn handen gingen. De afschriften legde hij vast in tenminste tien (onuitgegeven) registers die tegenwoordig in diverse bibliotheken in Nederland (Hoge Raad van de Adel) en België (Koninklijke Bibliotheek te Brussel) bewaard worden. In deze registers zijn zeer veel aanwijsbare betrouwbare afschriften te vinden. Ander materiaal is uniek omdat diverse archieffondsen die Butkens raadpleegde later verloren gingen, zoals bijvoorbeeld het stadsarchief van Brussel bij het Franse bombardement van 1695. Butkens was zeker niet brandschoon maar zijn nalatenschap in handschrift verdient een even kritische analyse als zijn gedrukte werken kregen in de zeventiende eeuw.

Toernooiveld

Het Tournooiveld is een opmerkelijke straat in het centrum van Den Haag, vlakbij het Binnenhof en de Amerikaanse ambassade. Het is nu min of meer een doorgaande weg. Maar was het vroeger inderdaad een veld waar toernooien werden georganiseerd? En zo ja, wat voor toernooien?

Volgens Wikipedia werd het Tournooiveld in de late middeleeuwen gebruikt voor wedstrijden tussen de twee Haagse schuttersgilden. Vreemd want het oudste gilde, dat van de voetboogschutters van Sint-Sebastiaan, had zijn eigen ‘doelen’ tussen het Plein en het Tournooiveld, terwijl het gilde van de handboogschutters van Sint-Joris gevestigd was aan de Lange Vijverberg, dus pal naast het Tournooiveld. Bovendien werd de term tournooi in de late middeleeuwen doorgaans niet voor schutterswedstrijden gebruikt maar voor het (individuele) steekspel of de massale mêlée uitgevoerd door ridders te paard. De termen scietspel of, met name in Brabant, lantjuweel waren veel gebruikelijker in de context van schutterscompetities.

De doelen van de voetboogschutterij van Sint-Sebastiaan met op de achtergrond de hofvijver. Collectie Haags Historisch Museum.
De doelen van de voetboogschutterij van Sint-Sebastiaan met op de achtergrond de hofvijver. Collectie Haags Historisch Museum.
Detail van de plattegrond van Den Haag rond 1570. Collectie Haags Historisch Museum.
Detail van de plattegrond van Den Haag rond 1570. Collectie Haags Historisch Museum.

De vraag is of er in Den Haag eigenlijk ooit riddertoernooien zijn georganiseerd. We weten dat diverse Hollandse graven fervente toernooigangers waren; graaf Floris IV kwam zelfs in 1234 te overlijden op een toernooi te Corbie. Maar aanwijzingen voor toernooien in Den Haag zijn schaars. In 1391 was er een groot toernooi met meer dan 160 deelnemers, volgens Antheun Janse georganiseerd op het tournooiveld. Voor een dergelijk toernooi, waar gedurende twee dagen tussen twee teams werd gevochten, was een grote open ruimte waar paarden vrijelijk konden draven een conditio sine que non. Op de kaart van Den Haag van 1570 zie ik daarvoor drie mogelijkheden: de Plaats, de huidige Kneuterdijk of, inderdaad, het Tournooiveld.

Den Haag was in de late middeleeuwen geen gebruikelijke locatie voor toernooien. Het dorp ontbeerde de nodige infrastructuur om de honderden gasten te herbergen en de toernooigangers te voorzien van wapens, harnassen en paarden. Steden als Brugge, Gent, Leuven en Brussel waren daartoe veel beter uitgerust. In Brussel bestond zelfs een zeer geavanceerde wapenindustrie dankzij de continue vraag van de Brabantse hertog en zijn hofhouding die resideerden in het Coudenbergpaleis. Toernooien in Brussel werden vooral georganiseerd op de Grote Markt.

In de nabijheid van Brussel was overigens ook een terneijveld, zoals goed te zien is op de kaart van Ferraris uit de late achttiende eeuw. Dit toernooiveld was gelegen aan de Leuvensestraatweg tussen Leuven en Brussel. Tegenwoordig ligt hier een nieuwbouwwijk die deel uitmaakt van de gemeente Evere.

Detail van de Ferrariskaart.
Detail van de Ferrariskaart. Collectie Koninklijke Bibliotheek, Brussel.

In de middeleeuwen was het echter een grote zandvlakte, een campo arenoso in de woorden van de Spaanse chroniqueur Calvete de Estrella. Hij beschrijft hoe op 1 april 1549 hier een imitatie veldslag plaatsvond met enkele honderden deelnemers, onder wie zo’n negentig edelen afkomstig uit zowel de Nederlanden als uit Spanje.

Toernooi bij Evere door Jan Cornelisz. Vermeyen. Collectie Kasteel van Beloeil en IRPAKIK, Brussel
Toernooi bij Evere door Jan Cornelisz. Vermeyen. Collectie Kasteel van Beloeil en IRPAKIK, Brussel

De elites van beide gebieden konden fijn integreren, tijdens en vooral na het gevecht. Het waren niet alleen ridders te paard die deelnamen aan deze mock battle maar ook infanterie- en artillerie-eenheden. Het spektakel werd gadegeslagen door de regentes Maria van Hongarije, kroonprins Filips II en zijn gevolg en vele genodigden vanuit een speciaal voor de gelegenheid opgetrokken galerij met tribunes. Como theatro, aldus de Spaanse hofschrijver.

Detail Ferrariskaart. Koninklijke Bibliotheek, Brussel
Detail Ferrariskaart. Koninklijke Bibliotheek, Brussel

In feite was Filips op doorreis van Leuven naar Brussel waar hij nog diezelfde dag zou worden ingehuldigd en erkend als de opvolger van zijn vader als hertog van Brabant. Mogelijk werden op dit veld in de veertiende een vijftiende eeuw ook al toernooien georganiseerd maar daar is (vooralsnog) geen bewijs voor. De zandvlakte diende ook als galgenveld; galg en rad zijn goed te zien op de kaart van Ferraris.

Opmerkelijk genoeg lag er ook bij het Haagse toernooiveld een executieplaats, het Groene Zoodje. Niet alleen toernooien maar ook de uitvoering van de zwaarste straffen hadden een grote open ruimte (en publiek) nodig.

Ken je andere toernooivelden? Laat het me even weten!

Heraldische plaagstoot in een middeleeuws handschrift?

Een tribune met zeven (adellijke) dames met de blik op oneindig. Waar kijken ze naar?

Adellijke dames op de eretribune bij een toernooi. Koninklijke Bibliotheek, Brussel, ms. IV 684 f. 43v (zie http://images.kbr.be/multi/ms_IV_684Viewer/imageViewer.html)
Adellijke dames op de eretribune bij een toernooi. Koninklijke Bibliotheek, Brussel, ms. IV 684 f. 43v (Bron: zie hier)

Naar een toernooi tussen twee teams, het ene aangevoerd door koning Edward I van Engeland (r. 1272-1307) en het andere door hertog Jan I van Brabant (r. 1267-1294). Het gaat om een massaal mêlée-toernooi waarbij twee teams het tegen elkaar opnemen met zwaarden (zie hieronder). De bedoeling was om zoveel mogelijk opponenten gevangen te nemen, net als bij een gewone veldslag. Een tribune was wel nodig want de strijd kon uitwaaieren over de velden. Er wordt flink op elkaar ingehakt en niemand wordt gespaard; geen wonder dat er vaak doden en gewonden vielen tijdens dergelijke toernooien; Jan I zou zelf later ook nog sterven toen tijdens een steekspel zijn tegenstander een lans boorde in zijn oksel, het enige stukje bovenlijf dat een harnas onbeschermd liet.

Toernooi tussen de teams van Jan I en Edward I. KB, Brussel, ms. 684 f. 44r.
Toernooi tussen de teams van Jan I en Edward I. KB, Brussel, ms. 684 f. 44r (Bron: zie hier)

Deze twee miniaturen komen uit een prachtig verlucht handschrift dat tegenwoordig in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel bewaard wordt (hier doorbladerbaar). Het handschrift is waarschijnlijk rond 1445 gemaakt in het klooster van Affligem, gelegen tussen Aalst en Asse. Het is een gedeeltelijk afschrift van de Brabantsche Yeesten van Jan van Boendale waarbij de bewerker ook nog eens delen van de Spiegel Historiael van Lodewijk van Velthem  in de tekst heeft geïntegreerd. (Deze ingewikkelde overlevering wordt hier door Dirk Schoenaers uiteengezet).

Ridderslag van Jan I van Brabant en zijn broer Godevaart. KB, Brussel, ms. IV 684 f. 43r.
Ridderslag van Jan I van Brabant en zijn broer Godevaart. KB, Brussel, ms. IV 684 f. 43r.

Opmerkelijk genoeg zegt de begeleidende tekst in de kroniek niets over de miniaturen. We krijgen geen praatje bij een plaatje. Er is sprake van de ridderslag van hertog Jan I en zijn broer Godevaard door de Franse koning Filips III maar dat hoorde eigenlijk nog bij de vorige pagina (zie hiernaast).

Jans eerste reis naar Engeland, in 1279, komt aan bod op de volgende pagina met het opschrift Hoe hertoge Jan in Ingelant tornyerde ende synen zoen aens conyncx dochter bestaedde. Er is sprake van een toernooi waarop Jan zoveel indruk maakte dat koning Edward I direct bereid was zijn dochter Margaretha aan Jans zoon Jan II uit te huwelijken. Nadere details ontbreken over het toernooi in Engeland ontbreken zowel in de Brabantsche Yeesten als in de Spiegel Historiael maar zijn wel te vinden in een andere kroniek: de Slag bij Woeringen van Jan van Heelu waarin verhaald wordt hoe Jan I op roemrijke wijze het hertogdom Limburg bij Brabant voegde. De vervaardiger van de miniaturen moet zo rond 1445 deze tekst dus ook gekend hebben. Of was hij er misschien van uitgegaan dat de bewerker ook hieruit ter inspiratie zou putten?

Jan II vs. Edward I tijdens een toernooi in Engeland. KB, Brussel, ms IV 684 f. 44r.
Jan II vs. Edward I tijdens een toernooi in Engeland. KB, Brussel, ms IV 684 f. 44r.

Even terug naar de toernooiminiaturen. De miniaturist is op het eerste gezicht zorgvuldig te werk gegaan en heeft via heraldische herkenningstekens de deelnemers aan het toernooi een gezicht gegeven. Zo is op de voorgrond van de toernooiminiatuur hertog Jans zoon Jan II te zien, herkenbaar aan de gouden Brabantse leeuw met barensteel (zeg maar een horizontale stok met drie hangers) op zijn wapenrok en het dekkleed van het paard. Hij neemt het op tegen koning Edward I, te herkennen aan een wapenrok en dekkleed versierd met drie gouden leeuwen op een rood veld. Achter Jan II is de heer van Wezemaal te zien (zilveren lelies op een rood veld).

Op de toernooiminiatuur is het natuurlijk een drukke bedoening. In al dat gedrang van die ridders op paarden (let ook op der verschillende soorten helmen die gebruikt worden) passen niet zoveel kleuren en symbolen. Daarom heeft de miniaturist ook nog gebruik gemaakt van de tribune om wat extra deelnemers te kunnen weergeven:

Wapenschilden op de eretribune bij het toernooi. KB, Brussel, ms. 684 f. 43v.
Wapenschilden op de eretribune bij het toernooi. KB, Brussel, ms. 684 f. 43v.

Hij heeft twee reeksen van wapenschilden onder elkaar gezet. De onderste reeks is het Brabantse team met naast Jan I en zijn zoon Jan II, de heren van Gaasbeek, Wezemaal, Rotselaar, Geten, Diest, Breda en Bierbeek, oftewel de top van de Brabantse ridderschap. Deze baanrotsen, zoals ze wel genoemd werden, waren zo rijk en machtig dat ze een eigen banier mochten voeren in de strijd en op een toernooi. Voor een 15de eeuws publiek waren deze heren nog steeds herkenbaar; de heerlijkheden die werden gesymboliseerd door de wapenschilden bestonden nog steeds ook al waren ze nu in het bezit van andere families.

Edward III en zijn zonen. KB, Brussel ms. IV 684 f. 43v.
Edward III en zijn zonen. KB, Brussel ms. IV 684 f. 43v.

De Engelse reeks (boven de Brabantse) levert echter een opmerkelijke combinatie van wapenschilden op. Tegenover Jan I en Jan II zou je Edward I en zijn zoon Edward II verwachten. Maar we zien naast het schild met de drie gouden leeuwen, een gevierendeeld schild met in het eerste en vierde kwartier de gouden lelies van het Franse koningshuis. Dit is het wapen dat Edward III vanaf 1340 voerde om zijn claim op de Franse troon kracht bij te zetten. Naast het wapen van Edward III zien we nog drie keer hetzelfde wapen maar dan ‘gebroken’ met verschillende barenstelen. Het gaat hier om de zonen van Edward III, namelijk Edward, the black prince, Lionel of Antwerp en John of Gaunt.

Heeft de miniaturist zich hier vergist en had hij geen goede genealogie van het Engelse koningshuis paraat of gewoon geen goede voorbeelden om over te nemen? Of liet hij expres de Engelse claim in viervoud terugkomen in de miniatuur om het Franse koningshuis (en de Fransgezinden in het 15de eeuwse Brabant) een steek onder water uit te delen? Het Brabantse publiek (adellijk, stedelijk?) moet dat wel gewaardeerd hebben. Brabant had eeuwenlang goede banden onderhouden met Engeland. Dat kwam niet alleen tot uitdrukking in allerhande huwelijken maar ook in uitstekende handelsbetrekkingen. De kansen van de Engelsen op de Franse troon waren rond het midden van de vijftiende eeuw vrijwel nihil, maar dat deed niets af aan de Brabantse voorkeuren.

NB Voor suggesties ter identificatie van de overige Engelse wapenschilden op de tribune houd ik me aanbevolen.

Naschrift: zie de reacties bij dit bericht voor een oplossing van de heraldische puzzel.

De strafbank bij een middeleeuws toernooi

Met enige regelmaat publiceer ik over middeleeuwse toernooien. Het is echter niet zo gemakkelijk om geschikte afbeeldingen van deze spectaculaire evenementen te vinden. Ik was dan ook zeer blij met de onderstaande miniatuur die ik op het spoor kwam dankzij een grappige tweet van de mediëvist Johan Oosterman.

Toernooi met knuppels. Das Wappenbuch  Conrads von Grünenberg. München, Bayerische Staatsbibliothek (BSB), Cgm 145, ca. 1480.
Toernooi met knotsen. Das Wappenbuch Conrads von Grünenberg. München, Bayerische Staatsbibliothek (BSB), Cgm 145, ca. 1480.

De miniatuur komt uit het schitterende wapenboek van Conrad von GrünenbergDit wapenboek is rond 1480 gemaakt door (of voor) ridder Conrad von Grünenberg die belangrijke functies bekleedde in het stadsbestuur van Konstanz. Het bevat naast enkele miniaturen maar liefst 2300 wapenschilden van edelen, gerangschikt volgens hun rang: eerst de koningen (ook van imaginaire koninkrijken), dan de graven, de baronnen en tenslotte de heren, met name uit het Duitse Rijk maar ook elders uit Europa. (Zie voor nader onderzoek en edities van dit wapenboek hier, hier en hier.)

Een kwart van de wapenschilden betreft de leden van een aantal stedelijke toernooigezelschappen uit vooral Zwaben en Beieren. Deze Adelsgesellschaften zijn getooid met fraaie namen als Kron, Esel, Wolf en Windhund. Ze functioneerden met name in de steden als een sociaal bindmiddel voor de ridders en knapen, die zich via hun lidmaatschap van de rest van de bevolking konden onderscheiden.

De miniatuur past goed bij de toernooicultuur in de laatmiddeleeuwse Duitse steden. We zien de eerste fase van een zogenoemd Kolbenturnier, een toernooi met knotsen. Het gaat niet om een steekspel, zoals dat vaak in Hollywoodfilms als een ‘typisch’ middeleeuws toernooi wordt neergezet. Nee, het toernooi was een strijd tussen twee teams binnen een omheinde ruimte op een marktplein. Er werd niet met lansen maar met knotsen gevochten en er vielen zelden gewonden of doden. Teambuilding en training gingen boven de individuele eer die bij het steekspel met slechts twee ruiters te paard centraal stond.

Toernooi met botte zwaarden. Das Wappenbuch Conrads von Grünenberg, BSB, Cgm 145, ca. 1480.
Toernooi met botte zwaarden. Das Wappenbuch Conrads von Grünenberg, BSB, Cgm 145, ca. 1480.

Tijdens de tweede fase van het toernooi werden de knotsen ingeruild voor botte zwaarden. Nu was het de bedoeling om het helmteken van de tegenstander eraf te slaan. Het helmteken was een uitbundige versiering dat aan de helm werd bevestigd. Het helmteken kon bestaan uit twee hoorns, veren, een hanenkam, een (fantasie)dier, een vrucht of een ander figuur, en was gemaakt van gekookt leer, hout en/of papier maché, Het diende als een extra heraldisch herkenningsteken en werd vooral gedragen tijdens toernooien.

Ridder op de strafbank. Das Wappenbuch Conrads von Grünenberg. BSB, Cgm 145, ca. 1480.
Ridder op de strafbank. Das Wappenbuch Conrads von Grünenberg. BSB, Cgm 145, ca. 1480.

En wat doet die man daar dan gezeten op de omheining van het toernooiveld? Daarvan weten we iets meer dankzij de reglementen van de Duitse toernooigezelschappen. Het is een ridder die een zware misdaad (moord, roof, ketterij etc.) heeft begaan en ‘ontmaskerd’ is tijdens de helmenschouw aan de vooravond van het toernooi. Even tevoren is hij van zijn paard geslagen en hij moet nu op het strafbankje zitten, goed zichtbaar voor alle toeschouwers, terwijl zijn maten nog even doorvechten. Naast de fysieke straf ondergaat deze foute ridder dus ook nog eens een publieke (schand)straf.

Het leven van een edelman

Zo luidde de titel van de spreekbeurt die mijn oudste zoon onlangs in de brugklas van een Leidse middelbare school moest houden, samen met een klasgenootje overigens. Nee, ik heb hem niets ingefluisterd en hij heeft gewoon zelf boeken uit de bibliotheek gehaald. Ongetwijfeld zal wikipedia ook een belangrijke bron van kennis zijn geweest.

‘Waarom staat er “edelman” en niet “middeleeuwse edelman”?’, was mijn eerst reactie op zijn powerpoint toen hij deze voor het hele gezin presenteerde. Dat was wel duidelijk vond hij; ze ‘deden’ nu de middeleeuwen in de klas en iedereen moest een presentatie houden over een middeleeuws onderwerp. NIet zeuren pap.

Ik slikte andere lastige vragen maar in. Wat maakte een edelman edel? En wat is het verschil eigenlijk tussen een ridder en een edelman? Ook historici kunnen slechts met moeite een antwoord formuleren op deze fundamentele vragen. Er zijn immers geen kant en klare lijsten van edelen overgeleverd uit de middeleeuwen. Hoe dan ook moet je deze sociale categorie ‘reconstrueren’ op basis van teksten in het archief en beeldmateriaal (grafmonumenten, wapenschilden etc.).

Jachtscène uit Le livre de la chasse, ca. 1407 (Morgan Library)
Jachtscène uit Le livre de la chasse, ca. 1407 (Morgan Library)

En eigenlijk ging zijn spreekbeurt daar ook niet over. De hoofdstukken over respectievelijk de jacht, toernooien en het kasteel zeiden genoeg over het adellijk leven (vivre noblement). Deze levensstijl maakte immers voor tijdgenoten het onderscheid duidelijk met niet-edelen. Het laatste hoofdstuk over landbezit verklaarde tenslotte de sociaal-economische positie van edelen. Niet alleen op de ladder van status en prestige maar ook op die van bezit en rijkdom stonden edelen nu eenmaal een paar treden hoger dan niet-edelen.

De titel van zijn spreekbeurt was dus heel goed getroffen.

Tijdens de meivakantie bezochten we een kasteel in de Ardennen: Reinhardstein, gelegen vlakbij Robertville in de Belgische Oostkantons. Het kasteel is waarschijnlijk vernoemd naar Reinoud van Waimes die in 1354 toestemming kreeg van Wenceslas van Luxemburg om op dit strategisch en hoog gelegen punt, een kasteel te bouwen. Waar zou je meer te weten kunnen komen over het leven van een edelman dan in een middeleeuws kasteel?

Dat viel toch wat tegen. Het kasteel is idyllisch gelegen, aan de rivier de Warche en omringd door bossen. Deze A-lokatie rechtvaardigt echter slechts deels de exorbitante toegangsprijs van 31 euro voor het gezin (wel inclusief ‘degustatie’ van het kasteelbier, cola voor de kinderen). Maar het onderhoud van het kasteel vergt natuurlijk bakken met geld; vele edelen gingen (en gaan) daar financieel aan ten onder.

Kasteel Reinhardstein
Kasteel Reinhardstein

Dat de helft van het gebouw was ‘gereconstrueerd’ op basis van 17de eeuwse tekeningen, tja, dat is het lot van de meeste middeleeuwse kastelen. Veel middeleeuwse voorwerpen zijn er niet meer te vinden. Wel hadden de opeenvolgende eigenaars flink ingeslagen op allerhande veilingen. We zagen naast natuurlijk veel wapens en harnassen, ook Siciliaanse marionetten, een standbeeld van Karel de Grote, en enkele beelden van de Haarlemse beeldhouwer Claus Sluter (zouden ze echt zijn?). In de wat kitcherig versierde kapel lag zelfs een handschrift met polyfone muziek. Over het leven van een edelman kwamen we echter weinig te weten.