Jeroen Bosch opnieuw berekend

Bosch is uitverkocht! Gelukkig ben ik al geweest (zie hier). Maar voor de thuisblijvers (en de liefhebbers) nog eenmaal aandacht voor de meesterschilder.

‘Aan Jeronnimus van Aeken, gezegd Bosch, schilder verblijvende te ’s-Hertogenbosch, het bedrag van 36 pond als lening en betaling voor wat we hem schuldig zijn en zouden kunnen zijn vanwege een groot schilderij (tableau de paincture), van negen bij elf voet waarop het Laatste Oordeel (le jugement de Dieu) moet staan, te weten het paradijs en de hel, dat onze genadige heer [Filips de Schone] hem heeft bevolen om te maken voor zijn adellijke plezier (très noble plaisir).’

Wat een sensatie: een opdracht van Filips de Schone voor een schilderij van Jeroen Bosch! Zoiets kom je niet iedere dag tegen. Mijn handen trilden even bij het intikken van deze rekeningpost uit september 1504 op mijn laptop. Ik was een jaar of tien geleden op zoek naar iets anders (schenkingen van gebrandschilderde glazen), dus dit was een onverwacht kadootje. Vervolgens besefte ik: dat heeft iemand anders vast al eens eerder gezien. En dat was ook zo (zie hier en hier).

Filips de Schone
Filips de Schone, anoniem portret uit ca. 1500. Amsterdam, Rijksmuseum, SK-A-2854.

Het is niet verwonderlijk dat kunst- en literatuurhistorici in de laatste decennia de middeleeuwse rekening ontdekt hebben als een onuitputtelijke bron voor precieze gegevens over makers, opdrachtgevers en objecten. Het heerlijke van rekeningen is namelijk dat ze beschrijvend en tegelijkertijd exact zijn: we hebben een datum, de naam van de schilder, de rudimentaire iconografie van het schilderij, de maten, en, niet onbelangrijk, de prijs.

Waarom Jheronimus?

Jeroen van Aken liet zich liever Bosch noemen naar de stad waar hij naam had gemaakt als schilder. Kunsthistorici blijven hem Jheronimus noemen en deze voornaam is ook prominent aanwezig op de recente tentoonstelling over de schilder. Waarom? Omdat hij op deze manier zijn schilderijen signeerde en omdat hij zo voorkomt in verschillende archivalia, ook in de bovengenoemde rekeningpost.

bosch naam
Ondertekening van De Hooiwagen van Jeroen Bosch. Madrid, Museo del Prado

Ik vind dit niet een hele overtuigende argumentatie. De doopnaam van Filips de Schone was ongetwijfeld Philippus en hij ondertekende documenten ook wel eens met Philippe. Toch normaliseren wij zijn naam naar Filips, zoals met de meeste vorsten en edelen uit de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Waarom is men dan huiverig voor het normaliseren van namen van schilders? Bovendien, Dieric Bouts en magistro Rogerio zijn toch ook gewoon Dirk Bouts en Rogier van der Weyden? Ik pleit er daarom voor om de man voortaan gewoon Jeroen Bosch te noemen.

Breedbeeld

Ook de afmetingen worden nauwkeurig aangegeven in de rekeningpost. Mogelijk werd de aanbetaling per vierkante centimeter berekend? Een voet was volgens deze onvolprezen site van het Meertens Instituut, in ’s-Hertogenbosch 28,7 cm. Dat maakt dus een schilderij van formaat van ca. 2,60 m x 3,15 m. Volgens Bosch kenner Jos Koldeweij (in de catalogus van de Bosch tentoonstelling uit 2001 in Boijmans van Beuningen) kan geen bestaand schilderij met dit Laatste Oordeel geïdentificeerd worden. Toch sluit hij niet uit dat het gaat om het Laatste Oordeel dat nu in Wenen wordt bewaard, overigens niet te zien op de tentoonstelling.

bosch laatste oordeel
Jeroen Bosch, Laatste Oordeel, ca. 1504-1508. Wenen, Gemäldegalerie (zie hier).

Dat schilderij is in ieder geval kleiner dan het reuzeformaat waarvoor Jeroen in 1504 de opdracht kreeg. Mogelijk heeft hij uiteindelijk een kleiner schilderij gemaakt? Of is het verloren gegaan? Die kans is best groot. Er zijn nog maar 24 schilderijen die tegenwoordig aan Jeroen Bosch worden toegeschreven terwijl hij er tijdens zijn lange leven (ca. 1450-1516) toch meer gemaakt moet hebben.

Topstuk voor een schijntje?

Om een idee te krijgen van de hoogte van het bedrag, moet de prijs vergeleken worden met bedragen die de vorst voor andere zaken betaalde rond 1500. Zo schonk Filips de Schone aan zijn zuster Margareta van Oostenrijk en aan zijn echtgenote Johanna van Castilië beiden een gouden ketting als nieuwjaarsgeschenk bij de jaarwisseling van 1496/1497, ter waarde van respectievelijk 263 en 230 pond. Dat is bijna zeven keer zoveel dan het voorschot dat onze Jeroen kreeg. De ambachtelijke waarde van het Laatste Oordeel lag eerder in de buurt van een ‘gemiddeld’ gebrandschilderd glas. Filips de Schone gaf bijvoorbeeld in 1505 hetzelfde bedrag van 36 pond voor de installatie van een glasraam in het Sint-Nicolaasgasthuis te Den Haag. Een meester metselaar moest voor deze som geld nog altijd 144 dagen werken. Met andere woorden: het bedrag vertegenwoordigt bijna een salaris van een half jaar van een gemiddelde ambachtsman.

Een schilderij voor een stadsambtenaar

Er is niet zoveel bekend over de opdrachtgevers van Jeroen Bosch. Maar Filips de Schone,  heerser over vele vorstendommen in de Nederlanden rond 1500, was geen onbekende van de schilder. Ook Filips’ kleinzoon en naamgenoot Filips II was een groot fan van de Bosschenaar, getuige de flinke collectie die zich tegenwoordig in het Prado en El Escorial bevinden. Maar verder weten we eigenlijk niet veel over de opdrachtgevers.

bosch ecce homo (2)
Werkplaats Jeroen Bosch, Ecce Homo, zijluik, ca. 1496-1500. Boston, Museum of Fine Arts.

Op de recente tentoonstelling is het schilderij ‘Ecce homo’ uit de werkplaats van Bosch te zien waarop de opdrachtgevers staan afgebeeld op de zijluiken. Op allerlei manieren droeg het schilderij bij aan het zielenheil van de schenkers. Daarom moesten deze weldoeners wel duidelijk herkenbaar zijn voor het publiek. Stadssecretaris Peter van Os, die een zeer boeiende stadskroniek naliet, is te herkennen aan het ‘sprekende’ wapenschild (met een os) en aan zijn naamgever, de apostel en sleutelbewaarder Petrus, die achter hem staat. Hij bestelde het stuk ter memorie van zijn overleden vrouw Henrickxen Langel en hun overleden baby, in doeken gewikkeld ook afgebeeld op het schilderij. Tegen zo’n beeldende voorstelling is natuurlijk geen rekening opgewassen.

bosch ecce homo (3)
Werkplaats Jeroen Bosch, Ecce Homo, zijluik, ca. 1496-1500. Boston, Museum of Fine Arts.
Advertenties

Man en paard

Middeleeuwse vorsten, stadsbesturen, kloosters, edelen en kooplieden hielden allemaal hun administratie goed bij. Zij wilden graag een overzicht hebben van hun financiële staat: hoeveel geld kwam er binnen, en, misschien nog wel belangrijker, hoeveel geld verliet de schatkist. Het is precies daarom dat er zoveel middeleeuwse rekeningen bewaard zijn gebleven. De verantwoordelijke klerken en rentmeesters gaven exact aan waar het geld vandaan kwam of naartoe ging.

Iedere onderzoeker vindt daarom wel iets van zijn gading in middeleeuwse rekeningen, van hardcore economisch historici geïnteresseerd in loon- en prijsontwikkelingen tot meer cultureel geïnteresseerde wetenschappers. Ook historici die zich bezig houden met de middeleeuwse adel kunnen niet om rekeningen heen. Daarbij gaat het soms om kleine alledaagse gebeurtenissen. Zo vond ik onlangs in een rekening van de Brabantse hertog Antoon van Bourgondië (1384-1415) de volgende vermelding:

Item, in den jair 1400 ende thiene doen mijn joncheere ontboden was ten doepsel ende kerstenheide mijns jongen heeren van Brabant zeliger gedinckenissen te Bruessel, staerf Janne van Wilstrop in der voirs. stat van Bruessel … een swert peert af ten prise van 43 cronen die hem mijn joncheere gegeven ende betaelt heeft (…).

 

Afbeelding

Met ‘mijn joncheere’ wordt bedoeld jonker Engelbrecht van Nassau (†1442), heer van Breda en een verre voorvader van Willem van Oranje. In 1404 had hij de prestigieuze heerlijkheid Breda verworven via zijn huwelijk met Johanna van Polanen (zie ook dit bericht). Hij werd al snel een belangrijke raadsheer en vertrouweling van hertog Antoon. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de hertog zijn trouwe vazal uitnodigde voor de doop van zijn zoon Willem (de ‘jonge heer van Brabant’) in juli 1410 die overigens kort daarna stierf. Deze rekeningpost is het enige bewijs van de aanwezigheid van Engelbrecht bij deze heugelijke gebeurtenis. Toch weten we dit alleen dankzij het feit dat er onvoorziene kosten werden gemaakt.

De doop van een vorstenzoon was in de late middeleeuwen een evenement van betekenis en dat moest uitgebreid gevierd worden. Het vorstelijk paar ging met alle hoge gasten – graaf Willem VI van Holland en Zeeland was ook aanwezig – de leden van de hofhouding in vol ornaat en in een lange stoet van het hertogelijk paleis op de Koudenberg naar de Sint-Goedelekerk waar de doop plaatsvond.

Maar voor niets gaat de zon op. Blijkbaar was er tijdens het verblijf in Brussel een zwart paard van een dienaar van Engelbrecht gestorven. Engelbrecht had zijn dienaar het paard vergoed maar legde de rekening nu neer bij zijn rouwende meester. Ook de trouw en de dienstbaarheid van een vazal had zijn financiële grenzen. Later zouden de Nassaus een indrukwekkend stadspaleis bouwen in Brussel met subsidie van het stadsbestuur. Op en neer reizen naar Breda was toen niet meer nodig.

Praalgraaf van Jan IV en Engelbrecht I van Nassau in de Grote Kerk van Breda
Praalgraaf van Jan IV en Engelbrecht I van Nassau in de Grote Kerk van Breda