Ridders op kamelen

In mijn vorige blogpost beschreef ik het bezoek van kroonprins Filips II aan Breda in september 1549. Hij was in gezelschap van de stadsheer Willem van Oranje en op de markt was hij getuige van een merkwaardig schouwspel:

‘Op het plein waar hij [Filips II] langskwam op weg naar het kasteel [van Breda], waren vele spelen ingericht waaronder een kameel bereden door zes bepantserde en gewapende kinderen met rode mutsen en ontblote zwaarden. Daarmee vochten ze tegen een verschrikkelijke reus en reuzin die dansten op het geluid van de zwaarden.’

Het was een mix van stedelijke en adellijke tradities die doorklonk in het hoogst merkwaardige tafereel. Het past dan ook heel goed in de traditie van spelen en tableaux vivants die sinds de veertiende eeuw werden opgevoerd tijdens vorstelijke bruiloften of intredes in de steden van de Nederlanden. Zo verschenen er in 1468 bij de bruiloft van Karel de Stoute en Margaretha van York (zie ook hier) een eenhoorn, een luipaard, leeuw, een olifant, een walvis en een dromedaris tijdens de feestelijkheden:

‘Voor dit banket, was een grote dromedaris gemaakt van ongeveer negen voet hoog, waarop een in goudbrokaat en zijde geklede moor zat die uit twee manden verschillende beesten en levende beschilderde vogels haalde die hij aan de dames gaf die bij het banket aanzaten.’

De hofhistoriograaf Olivier de la Marche voegt daar nog aan toe dat de dromedaris ‘zo goed gemaakt was dat het leek alsof hij leefde’. De tegenstelling tussen de dromedaris en de levende vogels, die beschilderd waren als speelgoed, wordt dus nog eens aangezet. De schrijver van dienst in 1549, Juan Cristobal Calvete de Estrella, neemt echter geen afstand van het tafereel en doet alsof het allemaal ‘echt’ is. Voor de schrijver (en de toeschouwers) was het ook niet van belang dat het kameel en de reuzen mechanische constructies waren. Ook wij weten stiekem wel dat de trucs van Hans Klok niet echt zijn, maar geloven graag in de illusie van echtheid.

schermafbeelding-2017-01-22-om-13-45-00
Olifant van Hendrik III. Uit: Matthew Paris, Chronica maiora, Corpus Christi College, Cambridge, Parker Ms. 16

Reuzen waren vertrouwde figuren in de imaginaire en literaire wereld van het hof, waarin ze overigens zeker niet altijd als slechteriken fungeren, maar vaak ook als helden. Deze reuzen kwamen echter uit de stedelijke Bredase traditie waar ze tot op de dag van vandaag een rol spelen in de lokale folklore (zie hier en hier). En exotische dieren als kamelen en dromedarissen waren zeker bekend in de vijftiende en zestiende eeuw. Leeuwen waren niet alleen een veel gebruikt heraldisch symbool maar ook een populair geschenk onder vorsten en edelen. De Engelse koning Hendrik III bezat in de dertiende eeuw al  een olifant – kadootje van de Franse koning, souvenir van de kruistocht – die een speciaal verblijf had in de Londense Tower. Maar een kameel in Breda rond 1550?

In de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen werden kamelen geïmporteerd uit Noord-Afrika en  gebruikt als pakdieren in Zuid-Europa. Caitlin Green toont in deze blogpost aan dat kamelen bovendien gebruikt werden om politieke tegenstanders te vernederen. Die moesten dan omgekeerd gezeten op het tweebultige dier een rondje rijden door de stad waarbij ze allerlei pesterijen en beledigingen van het toegestroomde  volk moesten ondergaan. Het was een praktijk die tot in het twaalfde-eeuwse Rome en Byzantium werd toegepast.

schermafbeelding-2017-01-22-om-13-41-53
Kamelen als last- en rijdieren. Afbeelding uit de  Tours Pentateuch (7de eeuw!), Bibliothèque Nationale de France, Ms. nouv. acq. lat. 2334 f. 69.

Wat Filips II en Willem van Oranje in 1549 precies zagen en hoe zij het tafereel interpreteerden, blijft voer voor  speculatie. In een recent boek probeert de kunsthistorica Christina Normore greep te krijgen op dit type voorstellingen, ook al beperkt zij zich tot de vijftiende eeuw. Zij legt vooral de nadruk op de (schijnbare) tegenstellingen en de manier waarop de toeschouwers ook onderdeel werden van de voorstelling. Zo staan in het Bredase tafereel de kleine kinderen (een verwijzing naar de vier heemskinderen?) tegenover reuzen die zij met gemak in bedwang houden. De ridderlijke slagkracht van de kinderen is blijkbaar genoeg om de verschrikkelijke reuzen te laten dansen. Het feestelijke dansen staat dan weer in contrast met het ‘verschrikkelijke’ karakter van de reuzen.

schermafbeelding-2017-01-25-om-00-07-19
Het ros Beiaard met de vier heemskinderen.Miniatuur uit het begin van de veertiende eeuw. Parijs, BnF, ms. fr. 766 f. 93

Ook al waren reuzen en kamelen bekend bij het publiek, het bleven natuurlijk wel vreemde figuren. Het is niet alleen de tegenstelling beschaafd/wild die hier wordt neergezet, maar ook de vertrouwde ridderlijke omgeving tegenover de relatief onbekende en exotische wereld van het kameel en de reuzen. Het blijft gissen naar de band van de stad Breda met de reuzen. De boodschap van de edelman aan de vorst was mogelijk: ‘Alles onder controle’. Filips kon rekenen op de militaire bijstand van de adel in de Nederlanden. Toen nog wel.

Heb je andere suggesties? Stuur een reactie!

Naschrift:

Ik kreeg inmiddels al diverse suggesties en doorverwijzingen (zie hier). Dank! Hierdoor kwam ik  op het spoor van de Bredase rederijkerskamers Vreugdedal en de Oranjeboom. Zij ontvingen een financiële vergoeding voor hun bijdrage ‘in de triumphe van den prince van Spaengien gedaen’ (zie hier). De kameel, de reuzen en de vier heemskinderen werden ook vaak gebruikt tijdens de jaarlijkse ommegang die ter ere van het reliek van het Heilige Kruis werd gehouden (zie hier en hier). Men putte voor het tafereel in september 1549 dus inderdaad uit de lokale traditie waarin de rederijkers een actieve rol speelden.

 

Advertenties

Wijnfonteinen

In de Archiefkok schrijft Maartje van de Kamp met enige regelmaat over historische recepten die ze opduikelt uit de krochten van het Nationaal archief. Het leuke is dat ze de gerechten op basis van deze recepten ook daadwerkelijk bereidt (en opeet of opdrinkt). Ze zet daarbij de traditie voort van de Utrechtse mediëviste Marietje van Winter (zie hier en hier).

Portret, olieverf op paneel, ca. 1500. Kopie naar Rogier van der Weyden (J. Paul Getty Museum, Malibu, Los Angeles). Bron: http://www.wga.hu/frames-e.html?/html/w/weyden/rogier/18fracop/6isabell.html
Isabella van Portugal. Portret, olieverf op paneel, ca. 1500. Kopie naar Rogier van der Weyden (J. Paul Getty Museum, Malibu, Los Angeles). Bron: hier.

Vorige week bereidde de Archiefkok hippocras, oftewel de ‘wijn van Hippocrates’. Deze wijn zou op het huwelijksfeest van Filips de Goede zijn gedronken en sindsdien populair zijn op met name (vorstelijke) bruiloften in de Nederlanden. Inderdaad blijkt uit een beschrijving van Jean Le Fèvre van Filips’ huwelijk met Isabella van Portugal in 1430 te Brugge dat er diverse wijnen op spectaculaire wijze werden ‘geschonken’ , Uit de poten van een leeuw bij het Prinsenhof stroomde bijvoorbeeld onophoudelijk rode en witte wijn. Binnen, in de feestzaal van de vorstelijke residentie, waren twee andere dieren opgesteld: een hert met een flacon op zijn poot waaruit hippocras (fin ypocras) stroomde voor alle gasten, en een eenhoorn waaruit rozenwater stroomde in een bassin ‘waar de gasten zich konden opfrissen’.

In 1468 werd deze exercitie nog eens dunnetjes, maar net even anders, overgedaan tijdens het huwelijksfeest van Karel de Stoute, zoon van Filips de Goede, weer in het Prinsenhof te Brugge. Volgens de chroniqueur Olivier de la Marche vloeide de hippocras daar opnieuw rijkelijk en wel uit een standbeeld van een pelikaan opgesteld in het binnenhof van het Prinsenhof. De wijn viel in een tenen mand ‘zodat er niets verloren ging’. Iedereen mocht ervan drinken zoveel hij/zij wilde. De leeuwen buiten de vorstelijke residentie waren nu vervangen door twee boogschutters in bas relief; uit de boog van de ene, een Griek met een Turkse boog, vloeide wijn uit Beaune (rode) en uit die van de ander, een Duitser met een kruisboog, witte rijnwijn; blijkbaar stonden de Grieken toen ook al tegenover de Duitsers. De wijn werd opgevangen in stenen bassins. Scheppen en drinken maar!

Jean de Lannoy als Vliesridder. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, ms. 76 E 10 fol. 63v. Bron: hier  http://manuscripts.kb.nl/show/images_text/76+E+10/page/11
Jean de Lannoy als Vliesridder. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, ms. 76 E 10 fol. 63v. Bron: hier.

Maar het schenken van hippocras was zeker niet beperkt tot vorstelijke (bruilofts)feesten. Ook steden schonken deze zoete wijn. De stad Leiden offreerde bijvoorbeeld in september 1452 acht stoop (bijna 20 liter) hippocras aan de toenmalige stadhouder van Holland, Jan van Lannoy, en zijn gevolg. De hippocras werd ter plaatse gemaakt bij ene Dirk Arendsz. Het was dus niet zomaar een wijn die je kant en klaar kocht (of importeerde) maar, zoals de Archiefkok beschrijft, bereidt uit verschillende ingrediënten: Duitse witte wijn (in overvloed aanwezig in de Hollandse steden) kaneelstokjes, gember, kruidnagels en (vooral) een heleboel honing of suiker. Het resultaat is een mierzoet digestief dat goed viel na een copieuze maaltijd. Jan dronk die 20 liter hippocras natuurlijk niet alleen op, maar in gezelschap van de Leidse schutters. Het werd laat in het stadhuis aan de Leidse Breestraat.

Mogelijk vond Jan van Lannoy de Leidse hippocras zo lekker dat hij de wijn op een bijzondere manier uitschonk tijdens het beroemde ‘Banket van de fazant’ te Rijsel. Hij organiseerde dit feest in opdracht van Filips de Goede ter voorbereiding van een nieuwe kruistocht. Die saaie fonteinen van dieren of boogschutters. Daar moest toch iets leukers van te maken zijn?  In het Palais de la Salle van de Vlaamse stad werd daarom een standbeeld geplaatst van een naakte vrouw uit wier rechterborst hippocras vloeide. Ze werd bewaakt door een geketende (levende!) leeuw waarbij een schild was opgesteld met de subtiele tekst: ‘Gelieve de dame niet aan te raken’. Ongetwijfeld hadden de gasten meer oog voor de wijn. Als ze teveel hadden gedronken dan konden ze zich opfrissen bij een bassin dat gevuld werd met rozenwater door een plassend kind op een rots. Lulletje rozenwater of Manneken Pis? Proost!

Feest van de fazant.  Kopie naar anoniem, ca. 1500 - ca. 1599. Amsterdam, Rijksmuseum nr. K-A-4212. Bron: https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/SK-A-4212.
Feest van de fazant. Kopie naar anoniem, ca. 1500 – ca. 1599. Amsterdam, Rijksmuseum nr. K-A-4212. Bron: hier.

 

 

 

Wie is wie in de middeleeuwen

‘En wat weten we eigenlijk over de gewone man in de middeleeuwen?’ Eerstejaars studenten stellen me deze vraag vaak na afloop van een college waarin het weer eens ging over de paus, de keizer en de elite. In de overgeleverde bronnen uit de middeleeuwen, zoals kronieken, oorkonden en registers, vind je nu eenmaal veel informatie over machtige mannen (en sommige vrouwen) in de middeleeuwse samenleving. In mijn onderzoek houd ik mezelf ook vooral bezig met een kleine toplaag die misschien maar enkele procenten van de totale bevolking besloeg: de adel.

Toch weten we ook steeds meer over de middeleeuwse Henk en Ingrid. De afgelopen weken was ik aanwezig bij de presentatie van twee prachtige initiatieven in de zoektocht naar de gewone middeleeuwse m/v. Walter Prevenier en Peter Arnade gaven in Leuven een voorproefje van hun boek over vorstelijke genadebrieven. Wat moeten we daarmee? Nou, met een genadebrief kon de vorst gratie verlenen aan een misdadiger voor een begane misdaad. In de brieven wordt tot in de kleinste details hierover verteld.

Zo is er het fascinerende verhaal van Mathieu Cricke en zijn rondreizende toneelgezelschap. In Brugge wordt Mathieu ergens in 1471 verliefd op de prostituee Maria. Hij weet haar over te halen zich te voegen bij zijn groep. Het ensemble trekt van stad tot stad om zijn kunsten te vertonen en heeft veel succes. Ook in Mechelen maakt Maria tijdens een optreden veel indruk, met name op de rijke burger Jan van Musene, zelf een bastaardzoon van een priester. Jan haalt haar over bij hem in te trekken.

Jozef als timmerman in zijn werkplaats met uitzicht op een marktplein. Rechterpaneel van het zogenoemde Merode triptiek van Robert Campin (of de meester van Flémalle?). Metropolitan Museum of Art, New York. Bron: Web gallery of art (http://www.wga.hu/tours/flemish/flemalle/index.html).
Jozef als timmerman in zijn werkplaats met uitzicht op een marktplein. Rechterpaneel van het zogenoemde Merode triptiek van Robert Campin (of de meester van Flémalle?). Metropolitan Museum of Art, New York. Bron: Web gallery of art (http://www.wga.hu/tours/flemish/flemalle/index.html).

Maar dat laat Mathieu niet op zich zitten en hij weet op zijn beurt Maria te overtuigen toch weer bij zijn clubje te komen. Om de hereniging te vieren wordt er flink gedronken en gefeest. Daarop beschuldigt Jan Mathieu van vrouwenroof, een ernstig misdrijf. Mathieu en zijn kornuiten worden gevangen genomen en veroordeeld. De zaak sleept heel wat jaren aan maar uiteindelijk verleent hertog Karel de Stoute hen gratie in 1475.  De details van de zaak (meer hier en hier) van deze bohemiens (en één van de eerste met naam bekende actrices in de Nederlanden) weten we alleen maar dankzij de hertogelijke genadebrief en een aantal andere documenten die straks in het boek van Arnade en Prevenier in Engelse vertaling worden opgenomen.

Maar wacht eens even: prostituees, acteurs, bohemiens…. Dat zijn toch lieden aan de rafelrand van de samenleving, ver verwijderd van de dagloners, de bakkers, de timmerlieden en de schoenmakers? Dat is zo maar ook over de middenstanders en de nog eenvoudigere stedelingen weten we steeds meer. Vorige week was ik in het stadsarchief van Brussel voor de presentatie van de databank ‘Wie is wie in laatmiddeleeuws Brussel’. Bram van Nieuwenhuyse legde deze schat aan gegevens vast op basis van een aantal registers waarin de bezittingen staan geregistreerd van duizenden inwoners van Brussel en omgeving. Hierin komen we wel talrijke gemiddelde middeleeuwers tegen. Vele Brusselaars waren namelijk in het bezit van een stukje grond of een huis waarvoor zij dan een gebruiksvergoeding betaalden aan de grondeigenaar. Binnenkort zijn al deze personen zichtbaar in de databank die te raadplegen zal zijn op de website van het Algemeen Rijksarchief te Brussel.

PS Ik kreeg al aardig wat reacties op mijn vorige blogpost over een geschiedenis van de middeleeuwen in 100 objecten.  Reageren kan nog steeds! Om objecten uit de collectie van het Rijksmuseum toe te voegen aan mijn collectie, klik hier.

Tafelschikking

Hoe zitten u en uw partner en eventuele andere gezinsleden aan tafel? Ik vermoed dat iedereen een vaste plaats heeft. De meeste mensen houden van regelmaat en routine en zijn gewend, ja zelfs gehecht, aan juist die bepaalde zitplaats. De plaats aan tafel geeft in bepaalde settings de plaats van de tafelgenoten in een hiërarchie aan. Denk bijvoorbeeld aan die reclame van een paar jaar terug waarin de vader aan het hoofd van de tafel zit en daar dan het vlees snijdt.  Of aan het afscheidsdiner van koningin Beatrix in het Rijksmuseum in april van dit jaar waar het protocol voorschrijft wie naast wie zit.

Diner bij het afscheid van koningin Beatrix in het Rijksmuseum Bron: www.koninklijkhuis.nl
Diner bij het afscheid van koningin Beatrix in het Rijksmuseum Bron: http://www.koninklijkhuis.nl

Natuurlijk werd ook in de zeer hiërarchisch ingestelde middeleeuwse samenleving goed gelet op de tafelschikking. Via beschrijvingen in kronieken weten we bijvoorbeeld hoe men was gezeten tijdens feesten aan het Bourgondische hof. Zo waren er in 1454 tijdens het beroemde Feest van de Fazant drie tafels opgesteld: een kleine, een middelgrote en een grote. Ze waren opgetuigd met allerlei feeërieke decors en figuranten.

Feest van de fazant.  Kopie naar anoniem, ca. 1500 - ca. 1599. Bron: https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/SK-A-4212.
Feest van de fazant gehouden in de grote zaal van het Zaalpaleis te Rijsel. Links zien we Filips de Goede (le bon duc Philipes)  met zijn vrouw Isabella van Portugal (la duchesse). In het midden hun zoon Karel (le comte de Charollois) en zijn vrouw Isabella van Bourbon. Kopie naar anoniem, 16d eeuw.  Amsterdam, Rijksmuseum inv. SK-A-4212. 

Op de tafel waar hertog Filips de Goede plaatsnam, de middelgrote tafel, was niet alleen een kerk met klokkenspel en vier zangers te bewonderen, maar ook nog een opgetuigde kraak met allerhande handelswaar en zeelieden, en, als klap op de vuurpijl, een bloot jongetje op een rots dat continue rozenwater plaste. De hertog zat aan het midden van deze tafel met links zijn echtgenote Isabella van Portugal en rechts zijn schoondochter Isabella van Bourbon. Verder was er slechts een kleine kring van naaste familieleden en vertrouwelingen met hun partners aan deze tafel te vinden. Karel, de zoon van het hertogelijk paar, zat aan de grote tafel, vergezeld door enkele topfiguren uit de hofhouding en andere niet met name genoemde ridders en vrouwen. De derde tafel was bestemd voor de overige knapen en jonkvrouwen uit de hofhouding. Zo had iedere rang binnen de hofhouding zijn eigen tafel.

Ook tijdens de vergaderingen van de vorst met de vertegenwoordigers van de onderdanen werd gehecht aan een duidelijke schikking. Men zat bij die gelegenheden overigens niet aan tafels maar op lange banken. Op de onderstaande miniatuur van de openingssessie van het Engelse parlement in april 1523,  is de schikking van de banken in een open carrévorm goed te zien.

dddd
Opening van het Engels parlement in Blackfriars, 15 april 1523. The Wriothesley Garter Boook, ca. 1530. Bron: http://www.royalcollection.org.uk/collection/1047414/the-wriothesley-garter-book.

Koning Hendrik VIII is centraal gezeten onder een baldakijn met aan zijn rechterhand zijn belangrijkste  geestelijke raadsheren – onder wie de aartsbisschop van York, Thomas Wolsey, te herkennen aan zijn rode kardinaalshoed – en aan zijn linkerhand twee (rechtsgeleerde?) raadsheren. Zij zijn gezeten tegenover de leden van het parlement die allemaal een eigen plek hebben, al naar gelang hun sociale positie. Ter rechterzijde van de vorst – de meest prestigieuze plek – zitten de vertegenwoordigers van de geestelijkheid (de Lords Spiritual), negen bisschoppen in het rood op de eerste rang, zeventien abten in het blauw op de tweede rang. Ter linkerzijde vinden we de adel (de Lords Temporal) netjes gerangschikt in hertogen (met vier witte strepen op hun tabbaard) en graven (met drie strepen) op de eerste rang en de baronnen (met twee strepen) op de tweede rang en recht tegenover de koning. Helemaal onderaan de miniatuur zijn nog net de veertien vertegenwoordigers van de steden en het platteland (de Commons) te zien met in het midden staand Thomas More, de speaker. De marginale rol van de Commons op deze miniatuur doet overigens geen recht aan hun belangrijke politieke rol in de late middeleeuwen.

In de Nederlanden kwam er tijdens de vergaderingen van de Staten Generaal in de vijftiende en zestiende eeuw nog een ‘schikkingsprobleem’ bij. Op deze bijeenkomsten kwamen natuurlijk ook de drie standen (staten) bij elkaar voor overleg. Maar de gedeputeerden kwamen uit allerlei verschilllende gewesten: Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Henegouwen, Luxemburg, Namen etc. Wie kreeg nu de meest prestigieuze plek? Van oudsher werd deze toebedeeld aan de gedeputeerden uit het hertogdom Brabant. Dat betekende dat de Brabanders ter rechterzijde van de vorst mochten zitten: de abten vooraan, daarachter de edelen en dan pas de stedelijke vertegenwoordigers. Bovendien mochten zij het woord voeren namens alle gedeputeerden. De woordvoerder was meestal de pensionaris van de belangrijkste stad van Brabant, Brussel.

De Vlamingen zaten normaliter op de banken ter linkerzijde van de vorst, dus recht tegenover de Brabanders. Zij aasden op de plek van de Brabanders en het bijbehorende woordvoerderschap en kaartten dit herhaaldelijk aan bij de vorst.1 Maar de Brabanders lieten zich deze machtspositie niet zomaar ontnemen. Immers, wie het woord voerde kon ook de uitkomst beïnvloeden van de beraadslagingen die vaak over nieuwe belastingen gingen. Zij deden daarbij een beroep op de ‘oudheid’ en het prestige van het hertogdom dat immers hoger stond aangeschreven dan een graafschap als Vlaanderen. Dit kwam ook tot uitdrukking in de eindeloze rij met titels die de Bourgondische en Habsburgse vorsten voerden. In deze trits werden altijd eerst de hertogdommen en daarna pas de graafschappen genoemd.

Portret van Margareta van Oostenrijk (1480-1530), landvoogdes der Nederlanden. Bernard van Orley (atelier van). Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, inv. 4059.
Portret van Margareta van Oostenrijk (1480-1530), landvoogdes der Nederlanden. Bernard van Orley (atelier van). Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, inv. 4059.

Margaretha van Oostenrijk velde in 1508 een Salomonsoordeel: zij erkende de rechten van de Brabanders en wilde niet tornen aan hun eersterangs zitplaatsen. Maar ze vond wel dat de Vlamingen bij vergaderingen op Vlaams grondgebied – de Staten Generaal hadden namelijk geen vaste vergaderplaats – het woord mochten voeren. Het belette de Vlamingen overigens niet om in de jaren erna opnieuw het voorrangsbeleid aan te vechten. Zij wilden ook wel eens het vlees snijden.

1. Zie over dit conflict het artikel van R. Wellens,  ‘Le droit de préséance dans les assemblées des Etats Generaux des Pays-Bas au XVe Siècle’, Standen en landen 47 (1968), 113–47

Een kroon voor Maria

De afgelopen weken was ik zowel in Aken als Wenen. Twee totaal verschillende steden maar met in ieder geval één overeenkomst: ze herbergen allebei een fraaie middeleeuwse kroon. In de kaiserliche Schatzkammer te Wenen ligt de fameuze rijkskroon waarmee vele Duitse koningen in Aken werden gekroond. De rijkskroon is rijk versierd met edelstenen en parels die schitteren in de donkere ruimte waar hij is tentoongesteld. De kroon dateert uit de tiende eeuw en is dus niet door Karel de Grote (†814, dit jaar precies 1200 jaar geleden) gedragen.

In Aken ligt evenmin een Karelskroon ook al kun je bij alle bakkers in de stad een brood krijgen in de vorm van een kroon. In de schatkamer van de Dom is wel een sierlijke Bourgondische (of eigenlijk Engelse) kroon te bewonderen. Deze kroon behoorde toe aan Margaretha van York, een Engelse prinses die in juli 1468 met hertog Karel de Stoute te Damme was getrouwd. Zou ze dan echt een kroon hebben gedragen tijdens deze ceremonie, of later in Brugge tijdens het huwelijksfeest dat werd opgeluisterd met talloze uitbundige banketten en steekspelen?


De Bourgondische hertogen, die van 1386 tot 1477 over grote delen van de Nederlanden regeerden, hebben zelf nooit een kroon gedragen, ook al stamden ze in rechte lijn af van het Franse koningshuis. Zij waren immers geen koning maar waren ondergeschikt aan de Franse en de Duitse koning op wiens territoria de gebieden lagen die zij formeel van hen in leen hadden. Het was de droom van Karel de Stoute om een nieuw middenrijk te formeren tussen Frankrijk en het Duitse Rijk, analoog aan het rijk van de kleinzoon van Karel de Grote, Lotharius (†855). Daarom wilde hij graag het hertogdom Lotharingen veroveren, de ontbrekende schakel om zijn gebieden in het Zuiden (Bourgondië, Franche Comté) te verenigen met zijn noordelijke gebieden (Holland, Zeeland, Vlaanderen, Artesië, Brabant, Henegouwen, Luxemburg etc., Gelre eventjes). Hij liet in zijn ijver om dit plan uit te voeren zelf het leven op het slagveld bij Nancy op 5 januari 1477.

Rogier van der Weyden, portret van Karel de Stoute, ca. 1460. Paneel, 49 x 32 cm.</p><br /><br /><br />
<p>Berlijn, Staatliche Museen.

Het is dan ook logisch dat er nooit te een kroon te bekennen is op de talloze schilderijen en miniaturen waarop de Bourgondische hertogen staan afgebeeld. Wat doet die kroon van Margaretha van York dan in de dom van Aken? De kunsthistoricus Hugo van der Velden biedt de oplossing in de catalogus van de tentoonstelling Charles the Bold, Splendour of Burgundy, in 2009 gehouden te Brugge en (jawel) Wenen. Het was geen kroon die Margaretha zelf gedragen heeft. Daarvoor was deze veel te klein (12,5 cm is de diameter). De kroon was bovendien niet van het gebruikelijke (koninklijke) goud gemaakt maar van verguld zilver. Van der Velden meent dan ook dat het kleinood bedoeld was als een gift voor het Mariabeeld in de Akense dom op wiens hoofd de kroon perfect paste.

Sleutelen aan de hofhouding

In de Volkskrant van 25 april las ik dat koningin Beatrix in 1980 een paleisrevolutie doorvoerde:

‘De oude adel vloog eruit. Het hof werd gestroomlijnd als een departement, met aan het hoofd een roulerende grootmeester (…). Ook andere cruciale functies werden aan termijnen van vijf jaar verbonden.’

Beatrix deed niets anders dan wat vorsten eeuwen voor haar ook al deden. De meeste middeleeuwse koningen, hertogen en graven hadden namelijk geen goed zicht op de samenstelling van hun hofhouding. Die dijde alsmaar uit want iedereen wilde wel meeëten uit de vorstelijke ruif. Om een eind te maken aan deze situatie – die vooral financieel de spuigaten uitliep – stelden vorsten ordonnanties op waarin precies stond beschreven wie welke functie bekleedde aan het hof en hoeveel die persoon daarvoor per dag mocht opstrijken. Bovendien benoemden de vorsten al hun hovelingen, van kamerheer tot keukenknecht, slechts voor drie, vier of zes maanden per jaar. Ze dienden bij tourbeurt. Op deze manier konden vorsten veel meer mensen aan zich binden.

Karel de Stoute (r. 1467-1477), geschilderd door Rogier van der Weyden, Berlijn Staatliche Museen
Karel de Stoute (r. 1467-1477), geschilderd door Rogier van der Weyden, Berlijn Staatliche Museen

Dagelijks werden alle uitgaven voor de hofhouding op gagelijsten bijgehouden en de namen op deze lijsten konden gecontroleerd worden aan de hand van de hofordonnantie. De meeste hofordonnanties en gagelijsten van de Bourgondische hertogen staan tegenwoordig online. In het archief van Wenen stuitte ik echter op een nog onbekende gagelijst van 21 juli 1468 van hertog Karel de Stoute (r. 1467-1477). De vorst, die begin juli in Brugge was gehuwd met de Engelse prinses Margaretha van York, bevond zich op dat moment in Den Haag waar hij ingehuldigd werd als nieuwe graaf van Holland. Een Rotterdamse kroniek geeft het volgende verslag:

‘Daarna kwam hij [Karel] naar Holland. Hij werd gehuldigd op 21 juli 1468 te Den Haag waar de gedeputeerden van de steden namens hun poorters de eed aflegden. Vervolgens bezocht hij de belangrijkste steden van Holland waar hij nog eens apart gehuldigd werd en zijn eed aflegde. Verder werd hem een achtjarige bede toegekend van 80.000 pond per jaar. Toen hij in Holland was, hield Karel bovendien audiëntie in de Grote Zaal [Ridderzaal] te Den Haag. Hij ontving verzoekschriften en was bereid klachten aan te horen van wie dan ook. En hij zat daar in vol ornaat met al zijn raadsheren van 12 tot 2 (en soms zelfs tot 3) uur in de middag. Slechts weinigen kregen echter boter bij de vis en de meesten werden doorverwezen naar de kanselier, de financiële commissarissen, de Raad van Holland enzovoort. Dat was omdat men eigenlijk alleen zicht wilde krijgen op de toestand van het land.’

Uit de gagelijst blijkt dat Karel 250 hovelingen bij zich had, waaronder de genoemde raadsheren. Het Binnenhof barstte uit zijn voegen en velen moesten hun toevlucht zoeken in de herbergen van Den Haag. Er figureren Vlamingen, Brabanders, Henegouwers, Picardiërs en Bourgondiërs op de lijst, maar relatief weinig Hollanders en Zeeuwen.

jan van boshuizen detail gagelijst 1468Een uitzondering vormde de Leidenaar Jan van Boschuysen, net als zijn vader Floris een oude vertrouweling van Karel uit de jaren vijftig tijdens zijn ‘Hollandse’ periode. Opvallend is dat Jans naam (Jehan de Buschuyse) in grotere letters is geschreven dan de namen van de personen boven en onder hem. Dat was niet omdat Jan zo’n belangrijk figuur was. Nee, hij voert gewoon een nieuwe salariscategorie aan, een handigheidje van de administrateurs. De personen die voor hem werden genoemd ontvingen nog 9 schellingen, terwijl Jan als sommelier slechts 6 schellingen per dag toucheerde.

Dat klinkt niet als een vetpot – de best betaalde hoveling, de Vliesridder Jacob van Luxemburg, ontving 15 keer zoveel –  en dat was het ook niet: iets meer dan het dagloon van een meester metselaar. De gage was namelijk meer een onkostenvergoeding dan dat een hoveling hiermee zijn levensonderhoud van kon betalen, laat staan dat van zijn gezin. Maar een baantje aan het hof leverde natuurlijk nog veel meer op: zo nu en dan een mooi geschenk (zilverwerk bij een huwelijk of de doop van een kind), extra vergoedingen voor kleding of een paard en niet te vergeten de talloze contacten die een hoveling zelf kon gebruiken of te gelde kon maken.

Willem-Alexander en Maxima plaatsen nu ook hun vertrouwelingen op sleutelposities in hun hofhouding die tegenwoordig uit ruim 300 personen bestaat – bijna net zoveel als in de tijd van Karel de Stoute.

Vorstelijke voetwassing

Op Witte Donderdag 1468, 14 april in dat jaar, waste Karel de Stoute (r. 1467-1477) samen met zijn kapelaan, aalmoezenier en biechtvader de voeten en de handen van dertien arme lieden (treze povres personnes). De plaats waar hij deze daad verrichtte wordt niet nader genoemd maar vermoedelijk verbleef de vorst tijdens de Goede Week in Brugge. Karel en zijn geestelijke hovelingen hadden zich wel witte schorten laten aanmeten zodat hun peperdure kledij nog enigszins beschermd werd tegen het vuil en het druipende water. Na afloop van het ritueel kreeg iedere arme sloeber bovendien nog 13 schellingen toegestopt, een bedrag waarvoor een meester ambachtsman toch al snel twee tot drie dagen moest werken.

De Bourgondische hertog was geïnspireerd door de Goede Week sowieso vrijgevig want her en der, in Rijsel, Nijvel en Brussel deelde hij geldelijke geschenken uit aan de verworpenen der aarde. Een povre femme die zich ophield bij het kartuizerklooster van Scheut, in de nabijheid van Brussel, kreeg maar liefst acht pond toegestopt van Karel. Maar voor de Maria-devotie die aan de oorsprong lag van dit klooster had Karel dan ook een speciale belangstelling.

Voetwassing, door Meister des hausbuches, Gemäldegalerie, Berlijn
Voetwassing, door Meister des hausbuches, Gemäldegalerie, Berlijn

De voetwassing op Witte Donderdag was een gebruik dat Karel en zijn vader Filips de Goede (r. 1419-1467) hadden overgenomen van het Franse koningshuis, waaraan zij immers verwant waren. De vorsten baseerden hun gebruik op een Bijbelpassage uit het evangelie van Johannes, 13: 1-15:

Jezus […] stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had.

Koning Lodewijk IX (Saint Louis, r. 1226-1270) wast de voeten van armen
Koning Lodewijk IX van Frankrijk (Saint Louis, r. 1226-1270) wast de voeten van armen

Het is misschien niet te geloven maar middeleeuwse vorsten namen dit gebruik met veel enthousiasme over. Het paste goed bij hun (ridderlijke) plicht om zorg te dragen voor de zwakkeren in de samenleving en natuurlijk bij de deugd van nederigheid. Daarnaast was er een sterk geloof dat de vorst door aanraking zieken kon genezen. De Franse historicus Marc Bloch schreef hier al in 1926 een baanbrekend boek over. Normaal gesproken werden de voeten van twaalf behoeftigen gewassen, analoog aan de twaalf apostelen. Het is een raadsel waarom Karel de Stoute hier dertien armen onder handen neemt. De twaalf apostelen plus Jezus Christus?

Het verstrekken van geldelijke geschenken aan armen op Witte Donderdag is overigens een traditie die tot op de dag van vandaag door het Engelse koningshuis wordt hoog gehouden. Het gebruik staat bekend als Royal Maundy. Ieder jaar kiest de Engelse vorst een kerk in het land waar een aantal oudere mannen en vrouwen, corresponderend met de leeftijd van de vorst, speciaal geslagen Maundy munten krijgen waarvan de waarde in pence (opnieuw) overeenkomt met de leeftijd van de vorstin. De hoge leeftijd van regerend vorstin Elizabeth levert dus extra vrijgevigheid op!