De wieg van de macht

Toen Willem-Alexander zijn moeder Beatrix opvolgde in 2013, werd het ‘werkpaleis’ Noordeinde grondig aangepakt. Ook het toekomstige woonvertrek van de koninklijke familie, Huis Ten Bosch, moest worden gerenoveerd. En oh ja, als we dan toch bezig zijn: opdat Willem-Alexander tijdens de verbouwingswerken zijn functie zou kunnen uitoefenen, moest er een tijdelijk paviljoen van 245 m2 aangelegd worden in de tuin van de Eikenhorst bij Wassenaar (overigens niet te zien op google maps). Totale kosten: 127 miljoen euro. Maar dan heb je ook wat: ons staatshoofd kan voor de dag komen met niet één of twee, maar met maar liefst drie paleizen – het paleis op de Dam kreeg al tijdens de regering van Beatrix een welverdiende opknapbeurt. Net zoals gewone stervelingen, die hun nieuw gekochte huizen vaak naar hun eigen smaak verbouwen en aanpassen – en er niet voor terugdeinzen om bijvoorbeeld de gloednieuwe keuken te slopen omdat ‘de kleur niet beviel’ – willen de vorsten van vandaag graag de residenties van hun voorganger aanpassen aan hun eigen wensen.

Dat was in de middeleeuwen niet anders. In 1430 werd de Bourgondische hertog Filips de Goede ook nog eens hertog van Brabant. Hij besloot al snel het belangrijkste paleis van de Brabantse hertogen – op de Coudenberg te Brussel – grondig aan te pakken zodat hij en zijn hofhouding niet alleen over meer ruimte konden beschikken, maar er ook een passende ruimte was om gasten te ontvangen en feest te vieren. Daarom werd er een nieuwe vleugel aangebouwd, pal op de oude stadsmuur van Brussel, waarin de nieuwe woonvertrekken kwamen. En in de jaren vijftig verrees het pronkstuk: de nieuwe grote zaal van het paleis, waarvan nu nog slechts de fundamenten te bewonderen zijn. De zaal werd grotendeels gebouwd op kosten van het Brusselse stadsbestuur, dat vanuit economisch oogpunt graag wilde dat de hertog vaker in de stad verbleef.

Coudenberg
“Zicht op het Coudenbergpaleis”, Anoniem (17e eeuw). Bron: Museum van de Stad Brussel – Broodhuis, K-1921-1.

Het Coudenbergpaleis werd al snel een favoriete residentie van de Bourgondische hertogen en van de hertoginnen die er verschillende kinderen baarden. Zo zag Maria van Bourgondië, dochter van Karel de Stoute en Isabella van Bourbon, in het Brusselse paleis het licht op 13 februari 1457. Josse Brunink, een ervaren chirurg, stond Isabella bij tijdens de bevalling en in de maanden daarna. Dat was niet voor niets; Karels eerste echtgenote overleed eerder in 1446, niet in het kraambed maar de kroonprins wilde er zeker van zijn dat zijn nieuwe vrouw (en zijn mogelijke troonopvolger natuurlijk) niets zou overkomen.

Isabela van bourbon
Isabella van Bourbon en Karel de Stoute. Anoniem, 15e eeuw.  Stadsmuseum Gent.

Dankzij de beschrijving van een hofdame weten we vrij goed hoe de kamers van Isabella van Bourbon en de pasgeboren prinses eruitzagen.  De kamer van Isabella bevatte maar liefst twee ‘grote bedden’ omhangen met gordijnen van groen satijn. Een hemel van groene damast hing boven de twee bedden. Maria’s kamer lag pal naast die van haar moeder en ook hier stonden twee grote bedden. De wieg stond voor de haard. Zowel de bedden als de wieg waren overhangen met een hemel van (opnieuw) groen en paars damast. In de wieg lagen niet alleen kostbare lakens maar ook nog eens hermelijn, een prestigieuze en natuurlijk warme vacht (het was februari!) voor het vorstelijke kindje.

groene wieg
Kraambed en wieg bedekt met groene lakens. Bron: “The birth of St. Elizabeth of Thuringia”, uit de kerk van St. Agidius te Bardejov, Slowakijke, c. 1480-1500.

Dat de kleur groen voortdurend terugkomt in de aankleding van de babykamer is geen toeval. Volgens Michel Pastoureau stond groen in de late middeleeuwen niet alleen symbool voor de kindertijd en de jeugd maar ook voor de hoop, het geluk en het lot. Dat lot was niet alle middeleeuwse vorstinnen gunstig gezind. Zo beviel de echtgenote van Anton van Bourgondië, Elisabeth van Görlitz, op 2 juni 1410 van haar zoontje Willem in het Coudenbergpaleis (zie ook hier). Deze hertogszoon beschikte niet alleen over een grote ‘staatswieg’, maar ook over een meer alledaagse wieg die groen was geschilderd en versierd met gouden bloemen en de wapenschilden van het ouderlijk paar. Toch konden ook de schilderingen van Maria en twee engelen op de hemel niet voorkomen dat de jonge spruit 5,5 week later zou overlijden, ongetwijfeld in zijn dagelijkse wieg.

Het belang van gezonde kinderen binnen een adellijke (en met name een vorstelijke) familie kan moeilijk overschat worden. Alleen op deze manier kon de dynastie worden voortgezet en het patrimonium van de familie doorgegeven worden, het liefst natuurlijk aan een mannelijke nakomeling. Maria en Maximiliaan moeten dan ook verheugd zijn geweest dat hun eersteling een jongen was (Filips) die in 1478 het kraambed overleefde. En op 10 januari 1480 kwam daar nog een gezonde dochter bij, Margaretha, net als Maria zelf geboren in het Coudenbergpaleis.

Wieg van Filips de Schone
Wieg van Filips de Schone (af te leiden uit de wapenschilden), tegenwoordig bewaard in de Hallepoort te Brussel. Bron: zie hier

Was het daarom dat Maria in dat jaar rondom het kinderbedde in haar eigen vroegere kinderkamer een koperen hekwerk liet plaatsen, waarin acht pond koper was verwerkt? Als een museumstuk liet zij haar wieg inlijsten of liever gezegd inkapselen. Moest de wieg een bezienswaardigheid worden voor de hertogelijke gasten? Was het hekwerk bedoeld om ervoor te zorgen dat haar eigen jonge kinderen niet in haar oude wieg zouden klimmen, analoog aan ons hedendaagse traphekje? Of koesterde de hertogin op dat moment meer dan ooit haar gelukkige kinderjaren in Brussel en wilde zij dat vastleggen voor haar nageslacht?

Mary_of_burgundy_pocher
Maria van Bourgondie door Michael Pacher (toegeschreven), ca. 1480. Privécollectie Heinz Kisters, Kreuzlingen.

Haar vader Karel had graag een mannelijke troonopvolger gehad en met dat doel voor ogen was hij in 1468 voor de derde maal gehuwd met Margaretha van York. Dat huwelijk bleef echter kinderloos en daardoor werd Maria dus zijn enige erfgename. Haar wieg symboliseerde daarmee de Bourgondische erfenis die door haar huwelijk met Maximiliaan in handen viel van de Habsburgers.

 

 

Deze blogpost verscheen eerder op het blog Brabantica

Advertenties

Telefoonboek van Brabant

Brabantica

Mijn verbazing was groot toen ik begin augustus terugkeerde van vakantie en een nieuw telefoonboek op de deurmat vond. Ik had me niet gerealiseerd dat dat nog uitgegeven werd in de huidige tijd van mobiele telefonie, allerhande telecomaanbieders en natuurlijk het internet. Blijkbaar is er toch nog behoefte aan het fysiek kunnen opzoeken van de benodigde informatie.  Mij staat nog bij dat je ‘vroeger’ – we hebben het over de jaren tachtig en negentig – 008 kon bellen als je het nummer van iemand in bijvoorbeeld Groningen nodig had, terwijl je zelf in Noord-Brabant woonde. Het  telefoonboek wordt namelijk per regio uitgegeven omdat een landelijke uitgave simpelweg te dik zou zijn.

Pagina telefoonboek Breda Pagina uit het telefoonboek van 1906 voor Breda. Bron: Delpher Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

Een alfabetisch gesorteerde lijst met namen, adressen en nummers is natuurlijk een ideale bron voor historici. Zij zouden er een moord voor plegen om dergelijke…

View original post 835 woorden meer

De nieuwe mens?

Een koopje! Dat moet de Vlaamse ondernemer Fernand Huts gedacht hebben toen hij in januari 2015 op een veiling van Freeman’s voor 11.250 dollar een schilderij kocht met daarop de Brusselaar Wouter van der Noot (†1499), zijn echtgenote Digna van Grimbergen (†1469) en hun kinderen, allen geknield in aanbidding voor Maria met het kindje Jezus. Het betreft een kopie van een schilderij dat oorspronkelijk in de kapel van O.L.V. Visitatie hing van de kerk van het karmelietenklooster te Brussel. De gouden gloed die Van der Noot en zijn zoons uitstralen moet een onweerstaanbare aantrekkingskracht hebben gehad op de Antwerpse havenbaron.

van der noot aanbidding
Wouter van der Noot, zijn echtgenote Digna van Grimbergen en hun kinderen in aanbidding voor Maria met het kindje Jezus op schoot. Phoebus collection. Foto: Freeman’s.

Huts is een fervent kunstverzamelaar en –handelaar; volgens Wikipedia verkocht hij in 2014 het schilderij de Narrenhandel van Frans Verbeeck de Oude voor meer dan 3 miljoen euro. Hij investeerde bijna het volledige bedrag in april van 2016 om het portret van de Delftenaar Joost Aemszoon van der Burch (†1570), geschilderd door Jan Cornelisz. Vermeyen, aan te schaffen op een veiling van Old Masters bij Christie’s. Dat was net op tijd om het schilderij een prominente plaats te geven op de tentoonstelling Voor God en Geld. Gouden tijd van de Zuidelijke Nederlanden die momenteel loopt in het Gentse karmelietenklooster.

Van der Burch
Jan Cornelisz. Vermeyen, Portret van Joost Aemszoon van der Burch, 1541. Phoebus collection. Foto: Christie’s.

Waarom neemt deze Delftenaar zo’n centrale plaats in op een tentoonstelling die over de Zuidelijke Nederlanden gaat? Huts vereenzelvigt zich in zulke mate met Van der Burch dat hij zijn hoofd heeft laten fotoshoppen in het schilderij voor de cover van een tijdschrift ter promotie van de tentoonstelling. In de tentoonstellingscatalogus (p. 309) beweert de magnaat dat Van der Burch de belichaming is van ‘de nieuwe mens’ die rond 1500 opstond in de Zuidelijke Nederlanden, en dan met name in Antwerpen, en bevrijd van de ketenen van het geloof en zonder betuttelende overheid kon gaan ondernemen, innoveren en geld verdienen.

Maar wie was die Joost van der Burch eigenlijk? Hij staat dan wel op het omslag van de tentoonstellingscatalogus maar de informatie hierin over de man is zeer summier en zonder verdere bronverwijzingen. Mogelijk ligt dat aan de nogal opmerkelijke manier waarop deze catalogus tot stand kwam: Huts schreef zelf de helft van de catalogus, terwijl de conservator van de tentoonstelling de andere helft voor haar rekening nam. De auteurs hebben de diverse kruisverbanden tussen Van der Burch en andere objecten in de tentoonstelling echter niet opgemerkt.

Van der Burch was afkomstig uit een Delftse brouwersfamilie. Hij studeerde te Orléans, een gerenommeerde rechtenuniversiteit in de late middeleeuwen. De Delftenaar was blijkbaar een goed jurist want Karel V benoemde hem in 1522 tot lid van de Raad van Brabant, het hoogste rechtscollege van het toenmalige hertogdom. Dat ambt, dat hij tot zijn dood in 1570 (!) bekleedde, staat niet voor niets prominent gegraveerd in de lijst van het schilderij.

Van der Burchs levensloop vertoont grote overeenkomsten met de boven vermelde Wouter  van der Noot. Deze Brusselaar was eveneens afkomstig uit een belangrijke familie van stadsbestuurders, en was ook lid van de Raad van Brabant, te weten van 1477 tot 1499 toen hij zijn ambt overdeed aan zijn zoon Jeroen. Jeroen van der Noot was net als Van der Burch een alumnus van Orléans en schopte het in 1515 tot kanselier, hoofd van de Raad, waardoor hij in feite baas was van Van der Burch bij diens benoeming tot raadslid in 1522.

Zo nieuw was Van der Burch dus niet. Vele leden van burgerlijke en ook adellijke geslachten gingen in de vijftiende eeuw (rechten) studeren om zo betere kansen te creëren op een loopbaan binnen het uitdijende staatsapparaat. Dergelijke lieden zagen er niet tegenop om veel te reizen en voor lange tijd een andere domicilie te zoeken, zolang het maar bijdroeg aan hun stijging op de maatschappelijke ladder.

Wel is er een opvallend verschil in de manier waarop Van der Noot en Van der Burch zich lieten afbeelden. Van der Noot en zijn zoons tonen wel een nederige houding maar trekken door hun ridderlijke uitdossing en hun opvallende heraldische herkenningsteken (vijf zwarte Jacobsschelpen in de vorm van een kruis op een gouden veld) meer aandacht dan het object van hun devotie. Van der Noot was in 1454 door Filips de Goede tot ridder geslagen en het is niet voor niets dat de omgorde zwaarden, de helm en de sporen met veel blingbling getoond worden.

Het portret van Van der Burch was waarschijnlijk niet bedoeld voor een religieuze setting. Ik weet niet of de Delftenaar geridderd was maar hij laat zich er zeker niet op voorstaan. Dat was in de zestiende eeuw ook minder noodzakelijk. Zijn gezaghebbende blik, zijn zwarte fluwelen met bont gevoerde toga, de baret en de attributen (handschoenen en een (proces?)rol) spreken boekdelen over zijn status. De acht wapenschilden van zijn overgrootouders moeten de toeschouwer wijzen op een voornaam voorgeslacht. Toch lieten topambtenaren die niet konden bogen op een adellijke of ridderlijke status zich in de vijftiende eeuw ook al op een dergelijke manier afbeelden. Ook in dit opzicht is Van der Burch dus geen trendsetter.

Portrait-of-barthelemy-alatruye-1853
Portret van de rekenmeester Bartholomeus à la Truye, actief in de Rekenkamer van Holland en Zeeland 1432-1446. Foto: wikimedia

Moet u dan wel afreizen naar Gent? Er is zeker veel kritiek te leveren niet alleen op de manier waarop Huts kunst gebruikt om zichzelf te positioneren en zijn gedachtegoed te ventileren, maar ook op de manier waarop de werken zijn tentoongesteld (zie hier en hier). Maar kijk en oordeel zelf want er zijn vele topstukken te zien die straks weer achter de muren van Huts’ Phoebus Foundation verdwijnen. Wat mij betreft waren de hoogtepunten echter niet afkomstig uit zijn privé-collectie maar kwamen ze van elders: het gigantische hoofd van de reus Antigoon (MAS Antwerpen) en de verbluffende kalenderwijzerplaat (M Leuven) met daarop vele fascinerende details, inclusief een steekspel.

kalenderwijzerplaat Leuven2
Kalenderwijzerplaat, ca. 1500. Museum M, Leuven. Foto: erfgoedcel Leuven

 

 

antigoon
Pieter Coecke van Aelst, Hoofd van Antigoon, ca. 1534. Foto: MAS Antwerpen, wikipedia

 

 

Een verhaal van Brabant?

Ik was onlangs in het Noordbrabants Museum te ’s-Hertogenbosch. Het is gevestigd in een voormalig 18de eeuws stadspaleis dat onlangs op schitterende wijze werd verbouwd en uitgebreid door de architect Wim Quist.

Anoniem, De lakenmarkt van 's-Hertogenbosch (ca. 1530). Noordbrabants Museum. Bron: klik hier http://www.thuisinbrabant.nl/object/noordbrabants-museum/01596
Anoniem, De lakenmarkt van ‘s-Hertogenbosch (ca. 1530). Noordbrabants Museum. Bron: klik hier.

Dat klinkt goed!

Zeker. De voormalige vergaderzaal van de Staten van Noord-Brabant is bijvoorbeeld prachtig opgepoetst.  En in een van de nieuwe vleugels van het museum is ‘Het verhaal van Brabant’ ondergebracht.

Brabant? ’s-Hertogenbosch ligt toch in Noord-Brabant?

Tja, dat ligt ingewikkeld. Zowel in het dagelijks leven als in de geschiedenis verwordt Noord-Brabant al snel tot Brabant. Inwoners van Noord-Brabant voelen en noemen zich (terecht) gewoon Brabanders. En waar denkt Guus Meeuwis aan? Juist. In een filmpje op de website van het museum doemt een grondgebied op dat verdacht veel op de huidige provincie lijkt. Voor de middeleeuwen, wanneer ‘Brabant een bloeiperiode beleefde’, zien we hetzelfde stuk land als in later perioden. Strikt genomen was het hertogdom Brabant natuurlijk veel groter dan het huidige Noord-Brabant. Als het over ‘de steden’ gaat, gaat het vooral over Den Bosch. Over die andere Brabantse steden (Antwerpen, Brussel, Leuven, Tienen etc.) geen woord. Met andere woorden: we doen net alsof Noord-Brabant gelijk is aan Brabant en we projecteren dat terug op de middeleeuwen.

Okay, dat is maar een filmpje. Hoe brengt het museum Brabant aan de man?

Nou, gelukkig wordt dit beeld in het museum (deels) rechtgezet. In het middeleeuwenpaviljoen van ‘Het verhaal van Brabant’ wordt met uitgebreide informatieborden en interactieve applicaties duidelijk gemaakt dat het hertogdom Brabant toch echt wat anders was dan het huidige Noord-Brabant. Ook al is het aantal ‘echt middeleeuwse’ stukken beperkt, de bezoeker krijgt een boeiend beeld van met name de economische en religieuze ontwikkelingen in het hertogdom. Het digitale paneel over Bergen op Zoom – we blijven toch maar even in Noord-Brabant –  is bijvoorbeeld heel informatief en betrekt in een breder kader voortdurend het hele hertogdom.

Verder nog mooie dingen gezien?

De fraaie wapenborden van twee ridders van het Gulden Vlies (in het bezit van het Rijksmuseum) die ooit in het koor van de Sint-Jan hingen, zijn er te bewonderen, evenals de intrigerende ‘Maaltijd van de heren van Liere’. Hier wordt een belangrijke Antwerpse familie afgebeeld in een setting die doet denken aan het Laatste Avondmaal.

 Maaltijd van de Heren van Liere te Antwerpen (1523). Anoniem Zuid-Nederlands. Olieverf op paneel. Collectie Centraal Museum, Utrecht. Zie hier.
Maaltijd van de Heren van Liere te Antwerpen (1523). Anoniem Zuid-Nederlands. Olieverf op paneel. Collectie Centraal Museum, Utrecht. Bron: zie hier.

Mogelijk gaat het om een vergadering van stadsbestuurders of een broederschap (zie hier). Het schilderij is gedateerd 1523 (ook al is dit een latere kopie) en geeft goed weer hoe stedelijke patriciërsfamilies met adellijke ambities zich wilden presenteren aan het nageslacht: de zwarte onderscheidende kleding van de centrale personages, de rijk gedekte tafel, de toonkast met wat schenkkannen en het familiewapen (in zilver drie afgesneden zwarte lelies) in tweevoud achter de ‘hoofdrolspelers.’

Er wordt vast aandacht besteed aan de Brabantse hertogen.

Portret van Filips de Goede (1396-1467). Vermoedelijk 16de eeuwse kopie. Noordbrabants museum, nr. 00834.
Portret van Filips de Goede (1396-1467). Vermoedelijk 16de eeuwse kopie. Noordbrabants museum, nr. 00834.

Niet heel veel. De politieke geschiedenis is sowieso niet goed vertegenwoordigd. Van de oude ‘Brabantse’ dynastie heb ik geen spoor kunnen terugvinden. En van de Bourgondische dynastie is er een opmerkelijk portret van Filips de Goede te zien. Het wordt in de digitale collectie gedateerd op 1400. Opmerkelijk, want Filips (1396-1467 en hertog van Brabant vanaf 1430) was toen pas vier jaar oud. Het lijkt mij eerder een (matige) kopie van een schilderij van Rogier van der Weyden.

Foutje, kan gebeuren. En ‘onze’ grote Jeroen Bosch? Die zal toch niet ontbreken?

Aan deze meesterlijke schilder is een heel paviljoen gewijd, waar dan weer de integrale benadering (objecten en schilderijen) is losgelaten. Hier hangen enkele werken van navolgers of leerlingen van Bosch maar de meester zelf ontbreekt.

Ach wat jammer.

Navolger van Jeroen Bosch, De heilige Christoffel. Noordbrabants museum nr. 08057. Bron: klik hier http://www.thuisinbrabant.nl/object/noordbrabants-museum/08057
Navolger van Jeroen Bosch, De heilige Christoffel. Noordbrabants museum nr. 08057. Bron: klik hier.

Die navolgers konden er ook wat van, hoor. Bovendien opent over een jaar een grote tentoonstelling over deze belangrijke schilder en hiervoor worden zijn werken vanuit de hele wereld ingevlogen (en natuurlijk uit Rotterdam: het Boijmans bezit diverse werken). Het jaar 2016 is meteen maar gebombardeerd tot Boschjaar en moet de hoofdstad van Noord-Brabant weer op de culturele kaart zetten.

Iedereen dus naar ’s-Hertogenbosch?

‘Het verhaal van Brabant’ is zeker de moeite waard, al is het maar omdat er ook nog een paar vroege Van Goghs hangen naast een schitterende DAF uit 1963. Historici zijn soms huiverig voor dergelijke etiketten en (de meesten) pretenderen nooit  ‘het’ verhaal te vertellen, in de wetenschap dat een volgende generatie weer een heel ander verhaal zal vertellen. Een recente bundel over de geschiedenis van Noord-Brabant is niet voor niets Verhalen van Brabant getiteld. Aan de andere kant: misschien heeft de argeloze museumbezoeker juist behoefte aan duidelijkheid. De geschiedenis is al ingewikkeld genoeg.

De Zeeuwse leeuw is los!

De provincie Zeeland laat zijn middeleeuwse leeuw los. Althans, dat was het plan. Gedeputeerde Staten hadden een nieuw logo laten ontwerpen zonder de karakteristieke rode leeuw. Een paar politici trokken – onder druk van enig twitter- en facebookgeweld – echter met succes aan de bel: de leeuw moet terug. De Zeeuwse leeuw staat immers symbool ‘voor verbondenheid en de Zeeuwse identiteit’, aldus de SGP (nu nog vier van de 39 zetels en lid van de Gedeputeerde Staten). Hoe was het dan mogelijk dat de leeuw dan toch bij het grofvuil werd gezet? Heel eenvoudig: het nieuwe beeldmerk kostte minder dan 25.000 euro dus er hoefde geen toestemming aan Provinciale Staten gevraagd te worden.

Wapenschild van Zeeland, ca. 1480-1500. Anthonis de Roovere, Cronicke van Vlaenderen. Brugge, Openbare Bibliotheek, ms. 437 http://www.flandrica.be/items/show/904/
Wapenschild van Zeeland, ca. 1480-1500. Anthonis de Roovere, Cronicke van Vlaenderen. Brugge, Openbare Bibliotheek, ms. 437. Klik hier.

De leeuw mag overigens nog wel blijven staan in het officiële wapen van de provincie. Zeeland is niet de enige provincie die nog min of meer het middeleeuwse wapenschild gebruikt. Zo voert Noord-Brabant nog steeds de gouden leeuw op een zwart veld, het heraldische symbool van het (veel grotere) middeleeuwse hertogdom Brabant. En ook in Friesland, Holland (Noord en Zuid) en Gelderland hebben de middeleeuwse leeuwen, in diverse kleuren, reeds vele provinciebestuurders overleefd.

Al die leeuwen staan sinds mensenheugenis symbool voor het territorium en zijn herkenningstekens van het bevoegd gezag. Ze zijn ooit op de blazoenen van de toenmalig regerende vorstenhuizen terecht gekomen. Dat was natuurlijk geen toeval. In het dierenrijk staat de ‘koning der dieren’ aan de top van de voedselketen. Maar meer nog: de leeuw staat voor kracht, moed, trots en gerechtigheid, allemaal zeer geschikte kwaliteiten die een zelfbewuste vorst zich graag toedichtte.

Geen verrassing dus dat de Franse historicus Michel Pastoureau na het tellen van 125.000 wapenschilden over een tijdspanne van drie eeuwen (1200-1500) ontdekte dat de leeuw de lijst aanvoert van afgebeelde stukken (15%). Hij eindigde ver voor de adelaar (3%) en de beer (0,5%), twee andere dieren met koninklijke pretenties. Bij een uitsplitsing naar regio blijkt echter dat in de Nederlanden de leeuw relatief vaker voorkomt dan elders (18% en meer).

In de twaalfde en dertiende eeuw kozen vele vorsten en edelen in de Nederlanden voor de leeuw als symbool voor hun aversie tegen de Duitse keizer. Voor de keizer, die goed naar zijn Romeinse voorbeeld had gekeken, was de adelaar immers het symbool van soeverein gezag.

Maria van Bourgondië met de zeventien wapenschilden van haar territoria, ca. 1480-1500. Uit: Anthonis de Roovere, Cronicke van Vlaenderen. Brugge, Openbare Bibliotheek, ms. 437. Bron: klik hier.
Maria van Bourgondië met de zeventien wapenschilden van haar territoria, ca. 1480-1500. Uit: Anthonis de Roovere, Cronicke van Vlaenderen. Brugge, Openbare Bibliotheek, ms. 437. Bron: klik hier.

De populariteit van de leeuw in deze streken is goed terug te zien in miniaturen met de wapenschilden van de Nederlanden. Op de zeventien wapenschilden in een miniatuur met Maria van Bourgondië (r. 1477-1482) zijn er maar liefst elf met leeuwen te vinden. De Zeeuwse leeuw staat er nog prominent op (voor de oudste afbeelding klik hier).

Wapenschild van Filips de Goede. Wapenboek van Hendrik van Heesel, ca. 1450. Antwerpen, Stadsbibliotheek, B 89420 A http://anet.ua.ac.be/desktop/sba/static/ebooks/EHC_B89420.pdf
Wapenschild van Filips de Goede. Wapenboek van Hendrik van Heesel, ca. 1450. Antwerpen, Stadsbibliotheek, B 89420 A. Bron: klik hier

Toen de Bourgondische vorsten de gewesten in de Nederlanden in handen kregen, verweefden zij op subtiele wijze de leeuwen in hun persoonlijke wapenschild. Jan zonder Vrees (r. 1404-1419) gaf de Vlaamse leeuw een prominente plaats in het hart. Zijn zoon Filips de Goede (r. 1419-1467) voegde daar nog eens zowel de Brabantse als de Limburgse leeuw aan toe.

Het was een statement tegenover de Franse koning (lelie) en de Duitse keizer (adelaar), de twee enige Europese vorsten die nooit een leeuw in hun wapenschild hebben gehad. Juist op het grondgebied van deze twee soevereine vorsten creëerden de Bourgondiërs hun eigen staat. De drie leeuwen moesten het nu toch wel tegen de adelaar kunnen opnemen.

Interessant is de beweegreden van de provincie Zeeland om de leeuw te verwijderen. Het dier stond blijkbaar vooral symbool voor de provincie als ‘gezagsdrager, vergunningverlener en handhaver. Tegenwoordig is dat heel anders. We staan het liefste naast de mensen, we hebben een meer faciliterende rol.’ De leeuw straalt tegenwoordig teveel gezag uit en mag de burger niet intimideren. De provincie gaat het nieuwe wapen heroverwegen, volgens de Provinciale Zeeuwse Courant. ‘Er zijn meerdere ontwerpen gemaakt. Ook ontwerpen waarvan de leeuw onderdeel uitmaakt.’ Nee, die leeuw gaat het niet redden. Ik suggereer het Zeeuwse trekpaard voor het nieuwe logo.

Wapen van Bartout van Assendelft. Uit: Wapenboek Beyeren (ca. 1400) f. 58r, Den Haag, Koninklijke Bibliotheek. Bron: klik hier.
Wapen van Bartout van Assendelft. Uit: Wapenboek Beyeren (ca. 1400) f. 58r, Den Haag, Koninklijke Bibliotheek. Bron: klik hier.

Van de Magna Carta tot de Opstand in de Nederlanden

Het nieuwe jaar 2015 nodigt direct uit tot terugblikken. Nee, niet op 2014 maar op andere jaren waarin ‘15’ voorkomt of, vooruit, ‘65’. Als we voor het gemak 1915, 1815 etc. even overslaan, kunnen we snel door naar 1215, het jaar van de Magna Carta. In Engeland maakt men zich op voor nogal wat festiviteiten rondom de herdenking van wat de British Library one of the world’s most celebrated documents noemt.

Magna Carta. British Library, Additional MS 46144.
Magna Carta. British Library, Additional MS 46144.

Het is op 15 juni dit jaar namelijk precies 800 jaar geleden dat koning Jan zonder Land een ‘Groot Privilege’  (Great Charter, Magna Carta) uitvaardigde waarin hij beloofde om voortaan rekening te houden met de rechten van zijn belangrijkste politieke tegenspelers: de baronnen, oftewel de crème de la crème van de Engelse adel en zijn belangrijkste leenmannen. Niet geheel verwonderlijk gaat het in de 63 artikelen van het charter dan ook vooral om waarborgen tegen de schendingen van het leenrecht die de koning in de jaren daarvoor blijkbaar voortdurend had begaan. Bovendien werd afgesproken dat – afgezien van bepaalde gevallen – de koning alleen met instemming van de koninklijke raad (waarin de baronnen natuurlijk goed vertegenwoordigd waren) nieuwe belastingen kon heffen. Een paar eeuwen later borduurden kolonisten in Amerika hierop voort: No taxation without representation! Het belang van de Magna Carta schuilt er vooral in dat de (machtigste) onderdanen voor het eerst een geschreven en door de koning bezegeld document in handen kregen waarmee (in theorie) de willekeur van de vorst beteugeld kon worden.

Zegel van koning Jan zonder Land. British Library, Additional MS 46144.
Zegel van koning Jan zonder Land. British Library, Additional MS 46144.

Magna Carta is – at first sight – a disappointing document, zo werd zuinigjes opgemerkt in een boek over de belangrijkste historische documenten van Groot Brittannië. Inderdaad, geen mooie plaatjes, geen doodles , nee zelfs geen fraai geïllustreerde hoofdletter waarmee het document aanvangt. Alleen het (beschadigde) zegel van koning Jan op zijn troon zorgt voor nog wat vertier voor het oog. Maar toch. Toen de British Library in oktober een loterij uitschreef om het Magna Carta Unification Event in Londen bij te wonen, was ik er als de kippen bij. Op 3 februari kunnen zo’n 1.200 mensen de vier bewaard gebleven exemplaren van de Magna Carta eenmalig naast elkaar bewonderen. Een vijfde exemplaar, een kopie uit 1297, is in handen van een rijke Amerikaan en kan helaas niet worden overgevlogen.

Daar wilde ik bij zijn!

Helaas, ik behoor niet tot de 1.200 uitverkorenen. Als ik de documenten wil zien, moet ik toch nog naar de kathedralen van Salisbury en van Lincoln afreizen waar speciale tentoonstellingen rond de documenten worden ingericht. Nou ja, niet getreurd. De twee exemplaren in de British Library heb ik toch al eens gezien: ze worden permanent in de prachtige expositieruimte aldaar getoond.

Blijde Inkomst. Brussel, Algemeen Rijksarchief, A.R.A., Charters van Brabant, nr. 900. Bron: http://www.dbnl.org/tekst/_bli002blij01_01/_bli002blij01_01_0001.php
Blijde Inkomst. Brussel, Algemeen Rijksarchief, A.R.A., Charters van Brabant, nr. 900. Bron: http://www.dbnl.org/tekst/_bli002blij01_01/_bli002blij01_01_0001.php

Het document uit de geschiedenis van de Nederlanden dat nog het dichtst in de buurt komt van de Magna Carta, is wellicht de Blijde Inkomst. Het is eveneens een ‘groot charter’, een privilege dat Brabant op 3 januari 1356 kreeg van zijn hertogelijk paar. De toekenning had te maken met de bijzondere politieke situatie van dat moment. Nog geen maand daarvoor was hertog Jan III overleden zonder een mannelijke troonopvolger achter te laten. De steden waren alleen bereid om zijn dochter en erfgename Johanna en haar man (en voogd) Wenceslas van Luxemburg in te huldigen, als het nieuwe vorstenkoppel de privileges van de steden wilde erkennen en beschermen. Bovendien stelden zij aanvullende voorwaarden ten aanzien van bestuur en rechtspraak en drongen zij aan op de handhaving van de territoriale integriteit van het hertogdom. Dit alles werd verwoord in de 35 artikelen van de Blijde Inkomst waarvan sommige teruggingen op oudere privileges.

Willem van Oranje in 1554. Bron: http://historiek.net/standbeeld-willem-van-oranje-onthuld-in-breda/43336/
Willem van Oranje in 1554. Bron: http://historiek.net/standbeeld-willem-van-oranje-onthuld-in-breda/43336/

Het vastleggen van regels waaraan een vorst zich moet houden in dergelijke plechtige documenten is één ding. Maar hoe zorg je ervoor dat de heerser zich ook aan deze regels houdt? Door allerhande conflicten belandde zowel de Magna Carta als de Blijde Inkomst al na een paar maanden bij het oud papier. Toch zou Willem van Oranje, immers heer van Breda, zich op zijn positie als Brabants edelman beroepen om tijdens de beginjaren van de Opstand met de Blijde Inkomst in de hand zijn verzet tegen Filips II te legitimeren.

Het duurt nog te lang om pas in 2056 dit belangrijke document te gedenken. Misschien is het in 2016 al tijd voor een feestje?

Heraldische plaagstoot in een middeleeuws handschrift?

Een tribune met zeven (adellijke) dames met de blik op oneindig. Waar kijken ze naar?

Adellijke dames op de eretribune bij een toernooi. Koninklijke Bibliotheek, Brussel, ms. IV 684 f. 43v (zie http://images.kbr.be/multi/ms_IV_684Viewer/imageViewer.html)
Adellijke dames op de eretribune bij een toernooi. Koninklijke Bibliotheek, Brussel, ms. IV 684 f. 43v (Bron: zie hier)

Naar een toernooi tussen twee teams, het ene aangevoerd door koning Edward I van Engeland (r. 1272-1307) en het andere door hertog Jan I van Brabant (r. 1267-1294). Het gaat om een massaal mêlée-toernooi waarbij twee teams het tegen elkaar opnemen met zwaarden (zie hieronder). De bedoeling was om zoveel mogelijk opponenten gevangen te nemen, net als bij een gewone veldslag. Een tribune was wel nodig want de strijd kon uitwaaieren over de velden. Er wordt flink op elkaar ingehakt en niemand wordt gespaard; geen wonder dat er vaak doden en gewonden vielen tijdens dergelijke toernooien; Jan I zou zelf later ook nog sterven toen tijdens een steekspel zijn tegenstander een lans boorde in zijn oksel, het enige stukje bovenlijf dat een harnas onbeschermd liet.

Toernooi tussen de teams van Jan I en Edward I. KB, Brussel, ms. 684 f. 44r.
Toernooi tussen de teams van Jan I en Edward I. KB, Brussel, ms. 684 f. 44r (Bron: zie hier)

Deze twee miniaturen komen uit een prachtig verlucht handschrift dat tegenwoordig in de Koninklijke Bibliotheek van Brussel bewaard wordt (hier doorbladerbaar). Het handschrift is waarschijnlijk rond 1445 gemaakt in het klooster van Affligem, gelegen tussen Aalst en Asse. Het is een gedeeltelijk afschrift van de Brabantsche Yeesten van Jan van Boendale waarbij de bewerker ook nog eens delen van de Spiegel Historiael van Lodewijk van Velthem  in de tekst heeft geïntegreerd. (Deze ingewikkelde overlevering wordt hier door Dirk Schoenaers uiteengezet).

Ridderslag van Jan I van Brabant en zijn broer Godevaart. KB, Brussel, ms. IV 684 f. 43r.
Ridderslag van Jan I van Brabant en zijn broer Godevaart. KB, Brussel, ms. IV 684 f. 43r.

Opmerkelijk genoeg zegt de begeleidende tekst in de kroniek niets over de miniaturen. We krijgen geen praatje bij een plaatje. Er is sprake van de ridderslag van hertog Jan I en zijn broer Godevaard door de Franse koning Filips III maar dat hoorde eigenlijk nog bij de vorige pagina (zie hiernaast).

Jans eerste reis naar Engeland, in 1279, komt aan bod op de volgende pagina met het opschrift Hoe hertoge Jan in Ingelant tornyerde ende synen zoen aens conyncx dochter bestaedde. Er is sprake van een toernooi waarop Jan zoveel indruk maakte dat koning Edward I direct bereid was zijn dochter Margaretha aan Jans zoon Jan II uit te huwelijken. Nadere details ontbreken over het toernooi in Engeland ontbreken zowel in de Brabantsche Yeesten als in de Spiegel Historiael maar zijn wel te vinden in een andere kroniek: de Slag bij Woeringen van Jan van Heelu waarin verhaald wordt hoe Jan I op roemrijke wijze het hertogdom Limburg bij Brabant voegde. De vervaardiger van de miniaturen moet zo rond 1445 deze tekst dus ook gekend hebben. Of was hij er misschien van uitgegaan dat de bewerker ook hieruit ter inspiratie zou putten?

Jan II vs. Edward I tijdens een toernooi in Engeland. KB, Brussel, ms IV 684 f. 44r.
Jan II vs. Edward I tijdens een toernooi in Engeland. KB, Brussel, ms IV 684 f. 44r.

Even terug naar de toernooiminiaturen. De miniaturist is op het eerste gezicht zorgvuldig te werk gegaan en heeft via heraldische herkenningstekens de deelnemers aan het toernooi een gezicht gegeven. Zo is op de voorgrond van de toernooiminiatuur hertog Jans zoon Jan II te zien, herkenbaar aan de gouden Brabantse leeuw met barensteel (zeg maar een horizontale stok met drie hangers) op zijn wapenrok en het dekkleed van het paard. Hij neemt het op tegen koning Edward I, te herkennen aan een wapenrok en dekkleed versierd met drie gouden leeuwen op een rood veld. Achter Jan II is de heer van Wezemaal te zien (zilveren lelies op een rood veld).

Op de toernooiminiatuur is het natuurlijk een drukke bedoening. In al dat gedrang van die ridders op paarden (let ook op der verschillende soorten helmen die gebruikt worden) passen niet zoveel kleuren en symbolen. Daarom heeft de miniaturist ook nog gebruik gemaakt van de tribune om wat extra deelnemers te kunnen weergeven:

Wapenschilden op de eretribune bij het toernooi. KB, Brussel, ms. 684 f. 43v.
Wapenschilden op de eretribune bij het toernooi. KB, Brussel, ms. 684 f. 43v.

Hij heeft twee reeksen van wapenschilden onder elkaar gezet. De onderste reeks is het Brabantse team met naast Jan I en zijn zoon Jan II, de heren van Gaasbeek, Wezemaal, Rotselaar, Geten, Diest, Breda en Bierbeek, oftewel de top van de Brabantse ridderschap. Deze baanrotsen, zoals ze wel genoemd werden, waren zo rijk en machtig dat ze een eigen banier mochten voeren in de strijd en op een toernooi. Voor een 15de eeuws publiek waren deze heren nog steeds herkenbaar; de heerlijkheden die werden gesymboliseerd door de wapenschilden bestonden nog steeds ook al waren ze nu in het bezit van andere families.

Edward III en zijn zonen. KB, Brussel ms. IV 684 f. 43v.
Edward III en zijn zonen. KB, Brussel ms. IV 684 f. 43v.

De Engelse reeks (boven de Brabantse) levert echter een opmerkelijke combinatie van wapenschilden op. Tegenover Jan I en Jan II zou je Edward I en zijn zoon Edward II verwachten. Maar we zien naast het schild met de drie gouden leeuwen, een gevierendeeld schild met in het eerste en vierde kwartier de gouden lelies van het Franse koningshuis. Dit is het wapen dat Edward III vanaf 1340 voerde om zijn claim op de Franse troon kracht bij te zetten. Naast het wapen van Edward III zien we nog drie keer hetzelfde wapen maar dan ‘gebroken’ met verschillende barenstelen. Het gaat hier om de zonen van Edward III, namelijk Edward, the black prince, Lionel of Antwerp en John of Gaunt.

Heeft de miniaturist zich hier vergist en had hij geen goede genealogie van het Engelse koningshuis paraat of gewoon geen goede voorbeelden om over te nemen? Of liet hij expres de Engelse claim in viervoud terugkomen in de miniatuur om het Franse koningshuis (en de Fransgezinden in het 15de eeuwse Brabant) een steek onder water uit te delen? Het Brabantse publiek (adellijk, stedelijk?) moet dat wel gewaardeerd hebben. Brabant had eeuwenlang goede banden onderhouden met Engeland. Dat kwam niet alleen tot uitdrukking in allerhande huwelijken maar ook in uitstekende handelsbetrekkingen. De kansen van de Engelsen op de Franse troon waren rond het midden van de vijftiende eeuw vrijwel nihil, maar dat deed niets af aan de Brabantse voorkeuren.

NB Voor suggesties ter identificatie van de overige Engelse wapenschilden op de tribune houd ik me aanbevolen.

Naschrift: zie de reacties bij dit bericht voor een oplossing van de heraldische puzzel.