De nieuwe mens?

Een koopje! Dat moet de Vlaamse ondernemer Fernand Huts gedacht hebben toen hij in januari 2015 op een veiling van Freeman’s voor 11.250 dollar een schilderij kocht met daarop de Brusselaar Wouter van der Noot (†1499), zijn echtgenote Digna van Grimbergen (†1469) en hun kinderen, allen geknield in aanbidding voor Maria met het kindje Jezus. Het betreft een kopie van een schilderij dat oorspronkelijk in de kapel van O.L.V. Visitatie hing van de kerk van het karmelietenklooster te Brussel. De gouden gloed die Van der Noot en zijn zoons uitstralen moet een onweerstaanbare aantrekkingskracht hebben gehad op de Antwerpse havenbaron.

van der noot aanbidding
Wouter van der Noot, zijn echtgenote Digna van Grimbergen en hun kinderen in aanbidding voor Maria met het kindje Jezus op schoot. Phoebus collection. Foto: Freeman’s.

Huts is een fervent kunstverzamelaar en –handelaar; volgens Wikipedia verkocht hij in 2014 het schilderij de Narrenhandel van Frans Verbeeck de Oude voor meer dan 3 miljoen euro. Hij investeerde bijna het volledige bedrag in april van 2016 om het portret van de Delftenaar Joost Aemszoon van der Burch (†1570), geschilderd door Jan Cornelisz. Vermeyen, aan te schaffen op een veiling van Old Masters bij Christie’s. Dat was net op tijd om het schilderij een prominente plaats te geven op de tentoonstelling Voor God en Geld. Gouden tijd van de Zuidelijke Nederlanden die momenteel loopt in het Gentse karmelietenklooster.

Van der Burch
Jan Cornelisz. Vermeyen, Portret van Joost Aemszoon van der Burch, 1541. Phoebus collection. Foto: Christie’s.

Waarom neemt deze Delftenaar zo’n centrale plaats in op een tentoonstelling die over de Zuidelijke Nederlanden gaat? Huts vereenzelvigt zich in zulke mate met Van der Burch dat hij zijn hoofd heeft laten fotoshoppen in het schilderij voor de cover van een tijdschrift ter promotie van de tentoonstelling. In de tentoonstellingscatalogus (p. 309) beweert de magnaat dat Van der Burch de belichaming is van ‘de nieuwe mens’ die rond 1500 opstond in de Zuidelijke Nederlanden, en dan met name in Antwerpen, en bevrijd van de ketenen van het geloof en zonder betuttelende overheid kon gaan ondernemen, innoveren en geld verdienen.

Maar wie was die Joost van der Burch eigenlijk? Hij staat dan wel op het omslag van de tentoonstellingscatalogus maar de informatie hierin over de man is zeer summier en zonder verdere bronverwijzingen. Mogelijk ligt dat aan de nogal opmerkelijke manier waarop deze catalogus tot stand kwam: Huts schreef zelf de helft van de catalogus, terwijl de conservator van de tentoonstelling de andere helft voor haar rekening nam. De auteurs hebben de diverse kruisverbanden tussen Van der Burch en andere objecten in de tentoonstelling echter niet opgemerkt.

Van der Burch was afkomstig uit een Delftse brouwersfamilie. Hij studeerde te Orléans, een gerenommeerde rechtenuniversiteit in de late middeleeuwen. De Delftenaar was blijkbaar een goed jurist want Karel V benoemde hem in 1522 tot lid van de Raad van Brabant, het hoogste rechtscollege van het toenmalige hertogdom. Dat ambt, dat hij tot zijn dood in 1570 (!) bekleedde, staat niet voor niets prominent gegraveerd in de lijst van het schilderij.

Van der Burchs levensloop vertoont grote overeenkomsten met de boven vermelde Wouter  van der Noot. Deze Brusselaar was eveneens afkomstig uit een belangrijke familie van stadsbestuurders, en was ook lid van de Raad van Brabant, te weten van 1477 tot 1499 toen hij zijn ambt overdeed aan zijn zoon Jeroen. Jeroen van der Noot was net als Van der Burch een alumnus van Orléans en schopte het in 1515 tot kanselier, hoofd van de Raad, waardoor hij in feite baas was van Van der Burch bij diens benoeming tot raadslid in 1522.

Zo nieuw was Van der Burch dus niet. Vele leden van burgerlijke en ook adellijke geslachten gingen in de vijftiende eeuw (rechten) studeren om zo betere kansen te creëren op een loopbaan binnen het uitdijende staatsapparaat. Dergelijke lieden zagen er niet tegenop om veel te reizen en voor lange tijd een andere domicilie te zoeken, zolang het maar bijdroeg aan hun stijging op de maatschappelijke ladder.

Wel is er een opvallend verschil in de manier waarop Van der Noot en Van der Burch zich lieten afbeelden. Van der Noot en zijn zoons tonen wel een nederige houding maar trekken door hun ridderlijke uitdossing en hun opvallende heraldische herkenningsteken (vijf zwarte Jacobsschelpen in de vorm van een kruis op een gouden veld) meer aandacht dan het object van hun devotie. Van der Noot was in 1454 door Filips de Goede tot ridder geslagen en het is niet voor niets dat de omgorde zwaarden, de helm en de sporen met veel blingbling getoond worden.

Het portret van Van der Burch was waarschijnlijk niet bedoeld voor een religieuze setting. Ik weet niet of de Delftenaar geridderd was maar hij laat zich er zeker niet op voorstaan. Dat was in de zestiende eeuw ook minder noodzakelijk. Zijn gezaghebbende blik, zijn zwarte fluwelen met bont gevoerde toga, de baret en de attributen (handschoenen en een (proces?)rol) spreken boekdelen over zijn status. De acht wapenschilden van zijn overgrootouders moeten de toeschouwer wijzen op een voornaam voorgeslacht. Toch lieten topambtenaren die niet konden bogen op een adellijke of ridderlijke status zich in de vijftiende eeuw ook al op een dergelijke manier afbeelden. Ook in dit opzicht is Van der Burch dus geen trendsetter.

Portrait-of-barthelemy-alatruye-1853
Portret van de rekenmeester Bartholomeus à la Truye, actief in de Rekenkamer van Holland en Zeeland 1432-1446. Foto: wikimedia

Moet u dan wel afreizen naar Gent? Er is zeker veel kritiek te leveren niet alleen op de manier waarop Huts kunst gebruikt om zichzelf te positioneren en zijn gedachtegoed te ventileren, maar ook op de manier waarop de werken zijn tentoongesteld (zie hier en hier). Maar kijk en oordeel zelf want er zijn vele topstukken te zien die straks weer achter de muren van Huts’ Phoebus Foundation verdwijnen. Wat mij betreft waren de hoogtepunten echter niet afkomstig uit zijn privé-collectie maar kwamen ze van elders: het gigantische hoofd van de reus Antigoon (MAS Antwerpen) en de verbluffende kalenderwijzerplaat (M Leuven) met daarop vele fascinerende details, inclusief een steekspel.

kalenderwijzerplaat Leuven2
Kalenderwijzerplaat, ca. 1500. Museum M, Leuven. Foto: erfgoedcel Leuven

 

 

antigoon
Pieter Coecke van Aelst, Hoofd van Antigoon, ca. 1534. Foto: MAS Antwerpen, wikipedia

 

 

Advertenties

Jeroen Bosch opnieuw berekend

Bosch is uitverkocht! Gelukkig ben ik al geweest (zie hier). Maar voor de thuisblijvers (en de liefhebbers) nog eenmaal aandacht voor de meesterschilder.

‘Aan Jeronnimus van Aeken, gezegd Bosch, schilder verblijvende te ’s-Hertogenbosch, het bedrag van 36 pond als lening en betaling voor wat we hem schuldig zijn en zouden kunnen zijn vanwege een groot schilderij (tableau de paincture), van negen bij elf voet waarop het Laatste Oordeel (le jugement de Dieu) moet staan, te weten het paradijs en de hel, dat onze genadige heer [Filips de Schone] hem heeft bevolen om te maken voor zijn adellijke plezier (très noble plaisir).’

Wat een sensatie: een opdracht van Filips de Schone voor een schilderij van Jeroen Bosch! Zoiets kom je niet iedere dag tegen. Mijn handen trilden even bij het intikken van deze rekeningpost uit september 1504 op mijn laptop. Ik was een jaar of tien geleden op zoek naar iets anders (schenkingen van gebrandschilderde glazen), dus dit was een onverwacht kadootje. Vervolgens besefte ik: dat heeft iemand anders vast al eens eerder gezien. En dat was ook zo (zie hier en hier).

Filips de Schone
Filips de Schone, anoniem portret uit ca. 1500. Amsterdam, Rijksmuseum, SK-A-2854.

Het is niet verwonderlijk dat kunst- en literatuurhistorici in de laatste decennia de middeleeuwse rekening ontdekt hebben als een onuitputtelijke bron voor precieze gegevens over makers, opdrachtgevers en objecten. Het heerlijke van rekeningen is namelijk dat ze beschrijvend en tegelijkertijd exact zijn: we hebben een datum, de naam van de schilder, de rudimentaire iconografie van het schilderij, de maten, en, niet onbelangrijk, de prijs.

Waarom Jheronimus?

Jeroen van Aken liet zich liever Bosch noemen naar de stad waar hij naam had gemaakt als schilder. Kunsthistorici blijven hem Jheronimus noemen en deze voornaam is ook prominent aanwezig op de recente tentoonstelling over de schilder. Waarom? Omdat hij op deze manier zijn schilderijen signeerde en omdat hij zo voorkomt in verschillende archivalia, ook in de bovengenoemde rekeningpost.

bosch naam
Ondertekening van De Hooiwagen van Jeroen Bosch. Madrid, Museo del Prado

Ik vind dit niet een hele overtuigende argumentatie. De doopnaam van Filips de Schone was ongetwijfeld Philippus en hij ondertekende documenten ook wel eens met Philippe. Toch normaliseren wij zijn naam naar Filips, zoals met de meeste vorsten en edelen uit de middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Waarom is men dan huiverig voor het normaliseren van namen van schilders? Bovendien, Dieric Bouts en magistro Rogerio zijn toch ook gewoon Dirk Bouts en Rogier van der Weyden? Ik pleit er daarom voor om de man voortaan gewoon Jeroen Bosch te noemen.

Breedbeeld

Ook de afmetingen worden nauwkeurig aangegeven in de rekeningpost. Mogelijk werd de aanbetaling per vierkante centimeter berekend? Een voet was volgens deze onvolprezen site van het Meertens Instituut, in ’s-Hertogenbosch 28,7 cm. Dat maakt dus een schilderij van formaat van ca. 2,60 m x 3,15 m. Volgens Bosch kenner Jos Koldeweij (in de catalogus van de Bosch tentoonstelling uit 2001 in Boijmans van Beuningen) kan geen bestaand schilderij met dit Laatste Oordeel geïdentificeerd worden. Toch sluit hij niet uit dat het gaat om het Laatste Oordeel dat nu in Wenen wordt bewaard, overigens niet te zien op de tentoonstelling.

bosch laatste oordeel
Jeroen Bosch, Laatste Oordeel, ca. 1504-1508. Wenen, Gemäldegalerie (zie hier).

Dat schilderij is in ieder geval kleiner dan het reuzeformaat waarvoor Jeroen in 1504 de opdracht kreeg. Mogelijk heeft hij uiteindelijk een kleiner schilderij gemaakt? Of is het verloren gegaan? Die kans is best groot. Er zijn nog maar 24 schilderijen die tegenwoordig aan Jeroen Bosch worden toegeschreven terwijl hij er tijdens zijn lange leven (ca. 1450-1516) toch meer gemaakt moet hebben.

Topstuk voor een schijntje?

Om een idee te krijgen van de hoogte van het bedrag, moet de prijs vergeleken worden met bedragen die de vorst voor andere zaken betaalde rond 1500. Zo schonk Filips de Schone aan zijn zuster Margareta van Oostenrijk en aan zijn echtgenote Johanna van Castilië beiden een gouden ketting als nieuwjaarsgeschenk bij de jaarwisseling van 1496/1497, ter waarde van respectievelijk 263 en 230 pond. Dat is bijna zeven keer zoveel dan het voorschot dat onze Jeroen kreeg. De ambachtelijke waarde van het Laatste Oordeel lag eerder in de buurt van een ‘gemiddeld’ gebrandschilderd glas. Filips de Schone gaf bijvoorbeeld in 1505 hetzelfde bedrag van 36 pond voor de installatie van een glasraam in het Sint-Nicolaasgasthuis te Den Haag. Een meester metselaar moest voor deze som geld nog altijd 144 dagen werken. Met andere woorden: het bedrag vertegenwoordigt bijna een salaris van een half jaar van een gemiddelde ambachtsman.

Een schilderij voor een stadsambtenaar

Er is niet zoveel bekend over de opdrachtgevers van Jeroen Bosch. Maar Filips de Schone,  heerser over vele vorstendommen in de Nederlanden rond 1500, was geen onbekende van de schilder. Ook Filips’ kleinzoon en naamgenoot Filips II was een groot fan van de Bosschenaar, getuige de flinke collectie die zich tegenwoordig in het Prado en El Escorial bevinden. Maar verder weten we eigenlijk niet veel over de opdrachtgevers.

bosch ecce homo (2)
Werkplaats Jeroen Bosch, Ecce Homo, zijluik, ca. 1496-1500. Boston, Museum of Fine Arts.

Op de recente tentoonstelling is het schilderij ‘Ecce homo’ uit de werkplaats van Bosch te zien waarop de opdrachtgevers staan afgebeeld op de zijluiken. Op allerlei manieren droeg het schilderij bij aan het zielenheil van de schenkers. Daarom moesten deze weldoeners wel duidelijk herkenbaar zijn voor het publiek. Stadssecretaris Peter van Os, die een zeer boeiende stadskroniek naliet, is te herkennen aan het ‘sprekende’ wapenschild (met een os) en aan zijn naamgever, de apostel en sleutelbewaarder Petrus, die achter hem staat. Hij bestelde het stuk ter memorie van zijn overleden vrouw Henrickxen Langel en hun overleden baby, in doeken gewikkeld ook afgebeeld op het schilderij. Tegen zo’n beeldende voorstelling is natuurlijk geen rekening opgewassen.

bosch ecce homo (3)
Werkplaats Jeroen Bosch, Ecce Homo, zijluik, ca. 1496-1500. Boston, Museum of Fine Arts.

Circus Jeroen Bosch

In het Noordbrabants Museum…

Nee, stop! Niet weer Jeroen Bosch, hè? Over die tentoonstelling hebben we toch alles al gelezen, van de Volkskrant tot The Guardian,  en van Twitter tot CNN ? Wat voeg jij daar nog aan toe?

Ik snap je punt maar het is gewoon een schitterende tentoonstelling die je niet mag missen. Iedereen die maar een beetje is geïnteresseerd in de combinatie middeleeuwen en schilderkunst moet naar ‘s-Hertogenbosch.

Was er in 2001 niet ook al een grote Bosch tentoonstelling?

f2-narrenschip bosch
Het Narrenschip door Jeroen Bosch. Parijs, Musée du Louvre.

Inderdaad, in museum Boijmans van Beuningen te Rotterdam. Net als nu was er toen ook een deel van de tentoonstelling gewijd aan de thuisstad van de schilder. Maar ook was er aandacht voor de Nederlanden en zelfs voor ‘De wereld van Jheronimus Bosch’. Iets meer context dan nu dus.

Logisch: toen konden ze toch veel minder werken van de meester laten zien?

Klopt, toen waren het er 12, nu 17 van de in totaal 24 werken die aan Bosch worden toegeschreven door het Bosch Research and Conservation Project (hoewel het Prado museum in Madrid daar heel anders over denkt). Overigens was er in 1967 ook al een tentoonstelling in ‘s-Hertogenbosch waar volgens de huidige strenge tellingen achteraf gezien eigenlijk maar zes echte ‘Bosch’ hingen. Die tentoonstelling was toen een daverend succes met niet minder dan 300.000 bezoekers, tien keer zoveel dan was verwacht. Het programma Andere Tijden maakte er onlangs een  fraaie uitzending over.  Let vooral op de exploitant van de koffiekamer die niet had durven dromen dat hij ooit zoveel Bossche bollen zou verkopen. Ook toen ging het al over de randverschijnselen, tot grote ergernis van de organisator die er als een relatief onbekende in de kunstwereld voor had gezorgd dat diverse grote musea in de wereld werken opstuurden naar de hoofdstad van Noord-Brabant.

Hoe staat het met de drukte deze keer?

Ach, op zo’n blockbuster komen natuurlijk veel mensen af. Wij (een stel met twee kinderen) waren er op een dinsdagmiddag in de voorjaarsvakantie en zelfs toen waren er geen dagkaarten meer beschikbaar. Er waren vooral veel 60plussers, Franssprekende kunsthistorici, vriendinnenclubs, Rabobankmedewerkers of een combinatie van deze categorieën. Natuurlijk is er ontzettend veel te zien op die schilderijen met al die vreemde personages dus soms duurt het even voordat je vooraan staat. Maar dan is het kijkplezier gegarandeerd!

‘Visioenen van een genie’ luidt de ondertitel van de tentoonstelling. Ietwat pretentieus?

Het Boijmans van Beuningen organiseerde eerder dit jaar een soort prequel van deze tentoonstelling – waar De hooiwagentriptiek uit het Prado ook al te zien was – en bestempelde deze als ‘de ontdekking van het dagelijks leven’. Tja, als je landlopers, goochelaars, kwakzalvers, hoeren en boeren beschouwt als typisch voor het ‘leven in de middeleeuwen’, dan zit daar misschien wat in. Opvallend zijn vooral de talloze fantasiefiguren die Bosch op magistrale wijze schilderde, al dan niet in hemel, hel of op weg daar naartoe. De zondeval, de zondvloed en het Laatste Oordeel zijn natuurlijk geen visoenen van de schilder maar staan gewoon in de bijbel. Maar de manier waarop Bosch deze bijbelse lieux de mémoire vorm gaf, is geniaal.

dood en de vrek Bosch toernooiuitrusting

Detail uit De dood en de vrek (ca. 1485-1490) van Jeroen Bosch. Washington, National Gallery of Art

Jij bent vooral geïnteresseerd in vorsten, ridders en edelen. Nog wat van je gading tegen gekomen?

Onverwachte ontdekking! Op het schilderij De dood en de vrek is een toernooi-uitrusting te zien van de stervende vrek in het bed : een helm, een schild, een toernooizwaard (inclusief koordje), een lans en een harnashandschoen (? andere suggesties?). In de catalogus wordt deze uitrusting beschouwd als een verwijzing naar het leven van de vrek die zich blijkbaar ‘in betere tijden met het dure, riskante en zinloze vermaak van het steekspel bezighield’. De kerk stond zeker niet positief tegenover het steekspel en het toernooi en vond dat de ridderschap zijn tijd en energie beter aan andere zaken kon besteden. Een schitterende les voor praktiserende ridders die ook in de tijd van Bosch blijkbaar nog steeds kozen voor een ledig en zondig maar wel spannend en eervol leven.

 

 

 

 

Een verhaal van Brabant?

Ik was onlangs in het Noordbrabants Museum te ’s-Hertogenbosch. Het is gevestigd in een voormalig 18de eeuws stadspaleis dat onlangs op schitterende wijze werd verbouwd en uitgebreid door de architect Wim Quist.

Anoniem, De lakenmarkt van 's-Hertogenbosch (ca. 1530). Noordbrabants Museum. Bron: klik hier http://www.thuisinbrabant.nl/object/noordbrabants-museum/01596
Anoniem, De lakenmarkt van ‘s-Hertogenbosch (ca. 1530). Noordbrabants Museum. Bron: klik hier.

Dat klinkt goed!

Zeker. De voormalige vergaderzaal van de Staten van Noord-Brabant is bijvoorbeeld prachtig opgepoetst.  En in een van de nieuwe vleugels van het museum is ‘Het verhaal van Brabant’ ondergebracht.

Brabant? ’s-Hertogenbosch ligt toch in Noord-Brabant?

Tja, dat ligt ingewikkeld. Zowel in het dagelijks leven als in de geschiedenis verwordt Noord-Brabant al snel tot Brabant. Inwoners van Noord-Brabant voelen en noemen zich (terecht) gewoon Brabanders. En waar denkt Guus Meeuwis aan? Juist. In een filmpje op de website van het museum doemt een grondgebied op dat verdacht veel op de huidige provincie lijkt. Voor de middeleeuwen, wanneer ‘Brabant een bloeiperiode beleefde’, zien we hetzelfde stuk land als in later perioden. Strikt genomen was het hertogdom Brabant natuurlijk veel groter dan het huidige Noord-Brabant. Als het over ‘de steden’ gaat, gaat het vooral over Den Bosch. Over die andere Brabantse steden (Antwerpen, Brussel, Leuven, Tienen etc.) geen woord. Met andere woorden: we doen net alsof Noord-Brabant gelijk is aan Brabant en we projecteren dat terug op de middeleeuwen.

Okay, dat is maar een filmpje. Hoe brengt het museum Brabant aan de man?

Nou, gelukkig wordt dit beeld in het museum (deels) rechtgezet. In het middeleeuwenpaviljoen van ‘Het verhaal van Brabant’ wordt met uitgebreide informatieborden en interactieve applicaties duidelijk gemaakt dat het hertogdom Brabant toch echt wat anders was dan het huidige Noord-Brabant. Ook al is het aantal ‘echt middeleeuwse’ stukken beperkt, de bezoeker krijgt een boeiend beeld van met name de economische en religieuze ontwikkelingen in het hertogdom. Het digitale paneel over Bergen op Zoom – we blijven toch maar even in Noord-Brabant –  is bijvoorbeeld heel informatief en betrekt in een breder kader voortdurend het hele hertogdom.

Verder nog mooie dingen gezien?

De fraaie wapenborden van twee ridders van het Gulden Vlies (in het bezit van het Rijksmuseum) die ooit in het koor van de Sint-Jan hingen, zijn er te bewonderen, evenals de intrigerende ‘Maaltijd van de heren van Liere’. Hier wordt een belangrijke Antwerpse familie afgebeeld in een setting die doet denken aan het Laatste Avondmaal.

 Maaltijd van de Heren van Liere te Antwerpen (1523). Anoniem Zuid-Nederlands. Olieverf op paneel. Collectie Centraal Museum, Utrecht. Zie hier.
Maaltijd van de Heren van Liere te Antwerpen (1523). Anoniem Zuid-Nederlands. Olieverf op paneel. Collectie Centraal Museum, Utrecht. Bron: zie hier.

Mogelijk gaat het om een vergadering van stadsbestuurders of een broederschap (zie hier). Het schilderij is gedateerd 1523 (ook al is dit een latere kopie) en geeft goed weer hoe stedelijke patriciërsfamilies met adellijke ambities zich wilden presenteren aan het nageslacht: de zwarte onderscheidende kleding van de centrale personages, de rijk gedekte tafel, de toonkast met wat schenkkannen en het familiewapen (in zilver drie afgesneden zwarte lelies) in tweevoud achter de ‘hoofdrolspelers.’

Er wordt vast aandacht besteed aan de Brabantse hertogen.

Portret van Filips de Goede (1396-1467). Vermoedelijk 16de eeuwse kopie. Noordbrabants museum, nr. 00834.
Portret van Filips de Goede (1396-1467). Vermoedelijk 16de eeuwse kopie. Noordbrabants museum, nr. 00834.

Niet heel veel. De politieke geschiedenis is sowieso niet goed vertegenwoordigd. Van de oude ‘Brabantse’ dynastie heb ik geen spoor kunnen terugvinden. En van de Bourgondische dynastie is er een opmerkelijk portret van Filips de Goede te zien. Het wordt in de digitale collectie gedateerd op 1400. Opmerkelijk, want Filips (1396-1467 en hertog van Brabant vanaf 1430) was toen pas vier jaar oud. Het lijkt mij eerder een (matige) kopie van een schilderij van Rogier van der Weyden.

Foutje, kan gebeuren. En ‘onze’ grote Jeroen Bosch? Die zal toch niet ontbreken?

Aan deze meesterlijke schilder is een heel paviljoen gewijd, waar dan weer de integrale benadering (objecten en schilderijen) is losgelaten. Hier hangen enkele werken van navolgers of leerlingen van Bosch maar de meester zelf ontbreekt.

Ach wat jammer.

Navolger van Jeroen Bosch, De heilige Christoffel. Noordbrabants museum nr. 08057. Bron: klik hier http://www.thuisinbrabant.nl/object/noordbrabants-museum/08057
Navolger van Jeroen Bosch, De heilige Christoffel. Noordbrabants museum nr. 08057. Bron: klik hier.

Die navolgers konden er ook wat van, hoor. Bovendien opent over een jaar een grote tentoonstelling over deze belangrijke schilder en hiervoor worden zijn werken vanuit de hele wereld ingevlogen (en natuurlijk uit Rotterdam: het Boijmans bezit diverse werken). Het jaar 2016 is meteen maar gebombardeerd tot Boschjaar en moet de hoofdstad van Noord-Brabant weer op de culturele kaart zetten.

Iedereen dus naar ’s-Hertogenbosch?

‘Het verhaal van Brabant’ is zeker de moeite waard, al is het maar omdat er ook nog een paar vroege Van Goghs hangen naast een schitterende DAF uit 1963. Historici zijn soms huiverig voor dergelijke etiketten en (de meesten) pretenderen nooit  ‘het’ verhaal te vertellen, in de wetenschap dat een volgende generatie weer een heel ander verhaal zal vertellen. Een recente bundel over de geschiedenis van Noord-Brabant is niet voor niets Verhalen van Brabant getiteld. Aan de andere kant: misschien heeft de argeloze museumbezoeker juist behoefte aan duidelijkheid. De geschiedenis is al ingewikkeld genoeg.

Van de Magna Carta tot de Opstand in de Nederlanden

Het nieuwe jaar 2015 nodigt direct uit tot terugblikken. Nee, niet op 2014 maar op andere jaren waarin ‘15’ voorkomt of, vooruit, ‘65’. Als we voor het gemak 1915, 1815 etc. even overslaan, kunnen we snel door naar 1215, het jaar van de Magna Carta. In Engeland maakt men zich op voor nogal wat festiviteiten rondom de herdenking van wat de British Library one of the world’s most celebrated documents noemt.

Magna Carta. British Library, Additional MS 46144.
Magna Carta. British Library, Additional MS 46144.

Het is op 15 juni dit jaar namelijk precies 800 jaar geleden dat koning Jan zonder Land een ‘Groot Privilege’  (Great Charter, Magna Carta) uitvaardigde waarin hij beloofde om voortaan rekening te houden met de rechten van zijn belangrijkste politieke tegenspelers: de baronnen, oftewel de crème de la crème van de Engelse adel en zijn belangrijkste leenmannen. Niet geheel verwonderlijk gaat het in de 63 artikelen van het charter dan ook vooral om waarborgen tegen de schendingen van het leenrecht die de koning in de jaren daarvoor blijkbaar voortdurend had begaan. Bovendien werd afgesproken dat – afgezien van bepaalde gevallen – de koning alleen met instemming van de koninklijke raad (waarin de baronnen natuurlijk goed vertegenwoordigd waren) nieuwe belastingen kon heffen. Een paar eeuwen later borduurden kolonisten in Amerika hierop voort: No taxation without representation! Het belang van de Magna Carta schuilt er vooral in dat de (machtigste) onderdanen voor het eerst een geschreven en door de koning bezegeld document in handen kregen waarmee (in theorie) de willekeur van de vorst beteugeld kon worden.

Zegel van koning Jan zonder Land. British Library, Additional MS 46144.
Zegel van koning Jan zonder Land. British Library, Additional MS 46144.

Magna Carta is – at first sight – a disappointing document, zo werd zuinigjes opgemerkt in een boek over de belangrijkste historische documenten van Groot Brittannië. Inderdaad, geen mooie plaatjes, geen doodles , nee zelfs geen fraai geïllustreerde hoofdletter waarmee het document aanvangt. Alleen het (beschadigde) zegel van koning Jan op zijn troon zorgt voor nog wat vertier voor het oog. Maar toch. Toen de British Library in oktober een loterij uitschreef om het Magna Carta Unification Event in Londen bij te wonen, was ik er als de kippen bij. Op 3 februari kunnen zo’n 1.200 mensen de vier bewaard gebleven exemplaren van de Magna Carta eenmalig naast elkaar bewonderen. Een vijfde exemplaar, een kopie uit 1297, is in handen van een rijke Amerikaan en kan helaas niet worden overgevlogen.

Daar wilde ik bij zijn!

Helaas, ik behoor niet tot de 1.200 uitverkorenen. Als ik de documenten wil zien, moet ik toch nog naar de kathedralen van Salisbury en van Lincoln afreizen waar speciale tentoonstellingen rond de documenten worden ingericht. Nou ja, niet getreurd. De twee exemplaren in de British Library heb ik toch al eens gezien: ze worden permanent in de prachtige expositieruimte aldaar getoond.

Blijde Inkomst. Brussel, Algemeen Rijksarchief, A.R.A., Charters van Brabant, nr. 900. Bron: http://www.dbnl.org/tekst/_bli002blij01_01/_bli002blij01_01_0001.php
Blijde Inkomst. Brussel, Algemeen Rijksarchief, A.R.A., Charters van Brabant, nr. 900. Bron: http://www.dbnl.org/tekst/_bli002blij01_01/_bli002blij01_01_0001.php

Het document uit de geschiedenis van de Nederlanden dat nog het dichtst in de buurt komt van de Magna Carta, is wellicht de Blijde Inkomst. Het is eveneens een ‘groot charter’, een privilege dat Brabant op 3 januari 1356 kreeg van zijn hertogelijk paar. De toekenning had te maken met de bijzondere politieke situatie van dat moment. Nog geen maand daarvoor was hertog Jan III overleden zonder een mannelijke troonopvolger achter te laten. De steden waren alleen bereid om zijn dochter en erfgename Johanna en haar man (en voogd) Wenceslas van Luxemburg in te huldigen, als het nieuwe vorstenkoppel de privileges van de steden wilde erkennen en beschermen. Bovendien stelden zij aanvullende voorwaarden ten aanzien van bestuur en rechtspraak en drongen zij aan op de handhaving van de territoriale integriteit van het hertogdom. Dit alles werd verwoord in de 35 artikelen van de Blijde Inkomst waarvan sommige teruggingen op oudere privileges.

Willem van Oranje in 1554. Bron: http://historiek.net/standbeeld-willem-van-oranje-onthuld-in-breda/43336/
Willem van Oranje in 1554. Bron: http://historiek.net/standbeeld-willem-van-oranje-onthuld-in-breda/43336/

Het vastleggen van regels waaraan een vorst zich moet houden in dergelijke plechtige documenten is één ding. Maar hoe zorg je ervoor dat de heerser zich ook aan deze regels houdt? Door allerhande conflicten belandde zowel de Magna Carta als de Blijde Inkomst al na een paar maanden bij het oud papier. Toch zou Willem van Oranje, immers heer van Breda, zich op zijn positie als Brabants edelman beroepen om tijdens de beginjaren van de Opstand met de Blijde Inkomst in de hand zijn verzet tegen Filips II te legitimeren.

Het duurt nog te lang om pas in 2056 dit belangrijke document te gedenken. Misschien is het in 2016 al tijd voor een feestje?

Een geschiedenis van de middeleeuwen in 100 objecten

‘Bestaat er eigenlijk een museum van de middeleeuwen?’, zo vroeg iemand mij onlangs. Een goede vraag. Natuurlijk staat er in mijn woonplaats Leiden het Rijksmuseum van Oudheden met een onvolprezen afdeling ‘Archeologie van Nederland’ en zo nu en dan fraaie tijdelijke tentoonstellingen op het gebied van de (vroege) middeleeuwen (zie hier mijn recensie van Gouden middeleeuwen, ook doorgeplaatst op www.historici.nl). Ook het Catharijneconvent in Utrecht heeft een mooie middeleeuwse collectie, maar wel sterk gericht op de geschiedenis van het Christendom. Iets vergelijkbaars als het Musée nationale du Moyen Âge, beter bekend als Musée de Cluny, in Parijs ontbreekt echter in Nederland.

Wandtapijt met een toernooi, Straatsburg, ca. 1475-1500. Musée de Cluny, inv. RF 7351 (zie http://www.musee-moyenage.fr/collection/oeuvre/tournoi-tapisserie.html).
Wandtapijt met een toernooi, Straatsburg, ca. 1475-1500. Musée de Cluny, inv. RF 7351 (zie http://www.musee-moyenage.fr/collection/oeuvre/tournoi-tapisserie.html).

Het heeft vast te maken met ‘onze’ Gouden Eeuw die in veler ogen nu eenmaal het meeste heeft opgebracht, niet alleen in economische maar ook in culturele zin. Het middeleeuwse verleden heeft in Nederland veel minder prestige dan bijvoorbeeld in België waar de periode wel nadrukkelijk als een bloeiperiode wordt beschouwd.

Het is natuurlijk de vraag of we in dit digitale tijdperk nog wel een gebouw nodig hebben om de objecten fysiek bij elkaar te brengen? Begrijp me goed: ik ben gek op musea en ga graag naar tentoonstellingen want er gaat niets boven een ‘live’ confrontatie met een object uit het verleden. Ondertussen biedt de voortschrijdende digitalisering van de museumcollecties wel een prachtige mogelijkheid om de objecten direct bij je thuis (althans op het beeldscherm) te bezorgen.

Schilderij van Richard III, vervaardigd ca. 1510. Society of Antiquaries of London, Burlington House, inv. LDSAL 321;Scharf XX. Zie http://www.bbc.co.uk/arts/yourpaintings/paintings/richard-iii-14521485-148268.
Schilderij van Richard III, vervaardigd ca. 1510. Society of Antiquaries of London, Burlington House, inv. LDSAL 321;Scharf XX. Zie http://www.bbc.co.uk/arts/yourpaintings/paintings/richard-iii-14521485-148268.

Neem het initiatief van het British Museum in Londen. Directeur Neil Macgregor heeft in 2010 een geschiedenis van de wereld in 100 objecten samengesteld. Dit werd meteen multimediaal aangepakt met een boek, een website en een radioserie van de BBC. Nu is er een vervolg met de website Teaching history with 100 objects. Niet alleen het British museum maar ook andere musea en instellingen hebben objecten ‘aangeleverd’. Zo meldde de Society of Antiquaries of London  trots op zijn website dat een portret van koning Richard III (r. 1483-1485) gebruikt wordt in het project. In het programma is de Engelse geschiedenis dan ook prominent aanwezig. Het schilderij van Richard III maakt deel uit van de lessen over de Development of church, state and society 1066–1509. Een dergelijke handreiking lijkt me ideaal voor docenten in het middelbaar onderwijs.

Kan zoiets in Nederland ook? Natuurlijk! Het Rijksmuseum te Amsterdam, per slot van rekening ons nationale museum, biedt nu aan iedereen de mogelijkheid om een eigen digitale verzameling aan te leggen in de Rijksstudio. Als een soort gastconservator mag je schatzoeken in de rijke collecties van het museum en je eigen selectie maken. De zoekfunctie is vrij eenvoudig en met een muisklik voeg je objecten toe aan jouw eigen verzameling. Het levert vele verrassingen op want wat er allemaal in de kelders van het Rijks ligt, ook van voor de Gouden Eeuw, is echt onvoorstelbaar. Van een aantal objecten is nog geen foto beschikbaar en deze kunnen dus niet worden geselecteerd. Maar er blijft genoeg over volgens mijn tellingen:

Jaren                         Aantal objecten (met foto)

Ridder te paard, 13 de eeuw. Rijksmuseum inv. BK-NM-9544. Zie https://www.rijksmuseum.nl/nl/mijn/verzamelingen/166278--man-en-paard/middeleeuwse-geschiedenis-in-100-objecten/objecten#/BK-NM-9544,4.
Ridder te paard, 13 de eeuw. Amsterdam, Rijksmuseum inv. BK-NM-9544.

501-800                            41 (38)

801-1100                         113 (104)

1101-1200                        56 (48)

1201-1300                        48 (43)

1301-1400                        103 (58)

1401-1500                        1279 (949)

1501-1550                        5543 (4201)

Het is duidelijk dat naarmate de middeleeuwen vorderen, het aantal beschikbare objecten toeneemt. Maar toch, naar het voorbeeld van het British Museum is hiervan natuurlijk uitstekend een geschiedenis van de middeleeuwen in 100 objecten te maken. Ik heb voorlopig veertig objecten geselecteerd (zie hier). Natuurlijk domineren mijn persoonlijke voorkeuren: veel vorsten, ridders, paarden en Burgundica. Mijn voorlopige top 5:

Bourgondisch wapenschild met Andreas-kruis en vier vuurslagen. Amsterdam, Rijksmuseum, inv. NG-KOG-2517-C. Zie https://www.rijksmuseum.nl/nl/mijn/verzamelingen/166278--man-en-paard/middeleeuwse-geschiedenis-in-100-objecten/objecten#/NG-KOG-2517-C,17
Bourgondisch wapenschild met Andreas-kruis en vier vuurslagen. Amsterdam, Rijksmuseum, inv. NG-KOG-2517-C.

1. Ridder te paard, 13de  eeuw

2. Bourgondisch schild met Andreas-kruis, 15de eeuw

3. Wapenbord van Edward IV, ca. 1480

4. De Sint-Elizabeth vloed, ca. 1490

5. Tien pleurants van het praalgraf van Isabella van Bourbon (ca. 1475)

Om aan de honderd objecten te komen – en ter verbreding van mijn beperkte blik – ben ik nog op zoek naar zestig stuks uit de collectie van het Rijks. Daarom een oproep: stuur via het reactieformulier onder aan dit blog één, twee of drie objecten in (het liefst met een weblink) die je graag in deze verzameling wilt opnemen. Ik neem het begrip ´middeleeuwen´ trouwens ruim; alles van voor ca. 1550 is toegestaan. Ik voeg ze vervolgens toe aan mijn verzameling. Je kunt hier meteen aan de slag. Veel plezier!

 

Kip in de kerk

Deze vakantie was ik in Santo Domingo de la Calzada in La Rioja, Spanje. Het plaatsje ligt op de pelgrimsroute, de camino, naar Santiago de Compostela waar de overblijfselen van de apostel Jacob de Meerdere begraven zouden liggen. In de kathedraal van Santo Domingo de la Calzada ligt het graf van een andere heilige, Domingo García, naar wie de plaats is genoemd. Deze vrome man legde in de elfde eeuw aldaar een verharde weg (calzada) aan. Om de pelgrims die op weg waren naar Santiago te faciliteren, construeerde hij bovendien een brug over de rivier de Oja en bouwde hij een hospitaal en een kerk. De heilig verklaarde Domingo heeft zijn plek dus wel verdiend in de kerk. Opmerkelijk genoeg is recht tegenover zijn graftombe een kippenhok tegen de muur bevestigd, met daarin een witte kip en een haan.

detalle_gallineroDe kippen zijn er ter nagedachtenis aan een wonder dat in Santo Domingo zou hebben plaats gevonden. De oerversie van dit wonderlijke verhaal is te vinden in een twaalfde eeuws handschrift, het beroemde Boek van de heilige Jacobus ook wel bekend als de Codex Calixtinus. Een Duitse pelgrim is met zijn zoon op weg naar Santiago en zij overnachten in Toulouse. De herbergier is jaloers op de rijke pelgrims en stopt ’s nachts een zilveren beker in hun bagage. De volgende dag wanneer de reizigers op het punt staan te vertrekken, beschuldigt hij hen van diefstal. De rechter van dienst veroordeelt de pelgrims tot de strop maar hij strijkt met de hand over zijn hart: het is voldoende dat één van beide dieven wordt opgeknoopt. De zoon offert zich op en de vader vervolgt zijn weg naar Santiago. Een paar weken later op de terugreis komt hij weer langs Toulouse en wat blijkt: zijn zoon hangt nog steeds aan de galg, maar wel springlevend, natuurlijk dankzij de tussenkomst van Sint Jacob. De herbergier moest het duur bekopen en wordt nu in plaats van de zoon opgehangen.

caminoroute1Dit verhaal werd in de twaalfde en dertiende eeuw razend populair onder pelgrims. Doordat ze het wonder aan elkaar doorvertelden, ontstonden verschillende versies en varianten. Deze zijn onder andere terug te vinden in een wonderverhaal opgetekend door de monnik Caesarius van Heisterbach – waarin de Duitse pelgrims werden ingewisseld voor Utrechtse – en in de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine. In de veertiende eeuw brachten Duitse auteurs drie nieuwe elementen in. Niet de herbergier maar zijn dochter heeft de zilveren beker verstopt in de bagage omdat de zoon niet ingaat op haar avances. Verder reageert de herbergier, die net kippen aan het braden is, vol ongeloof wanneer de vader hem buiten adem komt vertellen dat zijn zoon nog leeft. Onmiddellijk vliegen de kippen levend en wel van het spit. Tenslotte wordt de plaats van handeling verplaatst naar Santo Domingo. Daarom worden sinds de vijftiende eeuw ter nagedachtenis aan dit wonder een levende kip en haan – als levende relikwieën – gehouden in de kerk.

De populariteit van deze wonderen in de middeleeuwen is goed te verklaren. De verhalen waren zeer herkenbaar aangezien verschillende elementen en motieven terug te vinden zijn in de bijbel. Bovendien hadden ze een concrete boodschap voor de pelgrims: wees op je hoede onderweg, pas op voor inhalige herbergiers (en hun dochters!) en vertrouw tijdens de tocht op de bescherming van Sint Jacob en andere heiligen. Een bijkomend voordeel voor Santo Domingo de la Calzada was dat de plaats zijn positie als aantrekkelijke verblijfplaats op de camino kon verstevigen; dat was gunstig voor de lokale economie. Ook ik heb daaraan deze vakantie mijn steentje bijgedragen.

codice_calixtinorecPS In 2011 werd de Codex Calixtinus op klaarlichte dag gestolen uit de kluis van het archief van de kathedraal van Santiago. Dit opmerkelijke nieuws haalde ook in Nederland diverse media (zie hier en hier). Het handschrift werd pas na een jaar teruggevonden in de garagebox van de elektricien van de kathedraal, maar dat vond men hier niet echt de moeite van het vermelden waard (zie daarom hier  en hier). Sint Jacob blijft voor wonderen zorgen.