Van Filips I naar Filips VI

Wat hebben Filips VI (1968-), die vorige week de troon aanvaardde van het koninkrijk Spanje, en Filips I (1478-1506), bijgenaamd de Schone, met elkaar gemeen?

Allereerst natuurlijk hun voornaam. Filips de Schone was de eerste van die naam, Filips VI, ja u raadt het al, de zesde. De eerste Filips was de zoon van Maria van Bourgondië (1457-1482) en Maximiliaan I van Habsburg (1459-1519) en de vader van Karel V (Carlos I in Spanje). Filips was vernoemd naar zijn overgrootvader Filips de Goede (1396-1467) die als een populaire ‘goede’ vorst werd beschouwd in de Nederlanden. Diens grootvader Filips de Stoute was weer een Franse koningszoon. In het Franse koningshuis was Filips een veelvoorkomende naam.

Filips de Schone (gekroond) op een glasraam in de Sint-Gummaruskerk te Lier
Filips de Schone (gekroond) op een glasraam in de Sint-Gummaruskerk te Lier

Ten tweede natuurlijk hun titel. Filips I mocht zich koning van Castilië noemen (ook al was dat maar voor 2,5 maand), Filips VI koning van Spanje. Okay, een aardig territoriaal verschil maar Castilië was wel het centrale koninkrijk van de samengestelde Spaanse monarchie in de vijftiende eeuw. Filips de Schone was de erfgenaam van de Bourgondische Nederlanden (Holland, Zeeland, Vlaanderen, Brabant, Artesië etc.) en wist zijn gezag dankzij zijn huwelijk met Johanna van Castilië (1479-1555), bijgenaamd de Waanzinnige, uit te breiden over de Spaanse erflanden. Dit huwelijk werd gesloten in oktober 1496 te Lier in de Sint Gummaruskerk. Enkele fraaie gebrandschilderde glazen herinneren de bezoeker hier nog steeds aan deze verbintenis.

Tenslotte was/is hun beider koningschap niet geheel onomstreden. De snelheid waarmee de troonsopvolging in Spanje werd geregeld, was niet zonder reden. Bij de Europese verkiezingen hadden de grote nationale politieke partijen flinke averij opgelopen ten gunste van de regionale partijen en een nieuwe speler (Podemos) die voortkomt uit de Spaanse occupy-beweging. De oude vos Juan Carlos, de laatste tijd niet zo gunstig in het nieuws (Olifantenjacht!), wilde voorkomen dat er een uitgebreide discussie op gang kwam over het koningschap. Vandaar dat er ook geen buitenlandse gasten aanwezig waren bij de inhuldiging; Willem Alexander en Máxima zaten in Brazilië om het Nederlands elftal aan te moedigen.

Filips VI tijdens zijn aanvaardingstoespraak voor de verzamelde Spaanse volksvertegenwoordiging
Filips VI tijdens zijn aanvaardingstoespraak voor de verzamelde Spaanse volksvertegenwoordiging

Filips VI speelde tijdens zijn aanvaardingsspeech heel slim in op de diversiteit en de verschillende regio’s en talen van Spanje door te wijzen op verschillende literaire meesterwerken in het Baskisch, Catalaans en het Galicisch en in zijn slotwoord muchas gracias ook in deze drie talen te zeggen. Desondanks kon hij hiermee niet het applaus ontlokken van de aanwezige presidenten van de deelstaten.

Ook voor Filips I verliep de verwerving van de kroon niet helemaal soepeltjes. FIlips reisde twee keer naar Spanje. Pas tijdens zijn tweede reis, op 12 juli 1506, vond een vergadering plaats van de Cortes, het Spaanse parlement, waar hij samen met zijn vrouw Johanna de eed van trouw aflegde. Zij werden toen pas officieel als koningskoppel erkend door de vertegenwoordigers van de onderdanen.

Filips kon overigens niet lang genieten van zijn nieuw verworven titel. Op 25 september 1506, nog tijdens dezelfde trip door Spanje, overleed hij te Burgos. Johanna was ten einde raad en sleepte toen met zijn lichaam door heel Castilië om hem uiteindelijk een paar maanden later in Granada te laten begraven. Het is daarna niet meer goed gekomen met de vorstin; in 1508 werd zij opgesloten in een paleis te Tordesillas waar zij tot haar dood 47 jaar (!) later zou verblijven.

Over de vooruitzichten van Filips VI valt nog niet veel te zeggen, ook al zal hij het vast langer volhouden dan zijn naamgenoot. Voor nu even kijken naar de schitterende wijze waarop Monty Python het koningschap ter discussie stelt.

 

Advertenties

Een vissenkom in de nationale schatkamer

Vorige week kwam ik voor het eerst sinds een jaar weer eens in het Nationaal Archief te Den Haag, u weet wel onze nationale schatkamer. Twintig jaar geleden was mijn eerste bezoek. Ik begon toen met mijn onderzoek naar Hollandse ambtenaren in de vijftiende eeuw dat uiteindelijk resulteerde in mijn proefschrift. Sindsdien heb ik, als ik goed heb geteld, vier verbouwingen meegemaakt, plus een naamsverandering. En wat bleek nu: de vijfde verbouwing was net achter de rug. Bij eerdere verbouwingen veranderde er structureel niet heel veel aan de ruime en lichte studiezaal waar je aan grote tafels je stukken kon raadplegen. Een muurtje hier, een balietje daar, nieuwe wc’s, een koffiecorner, eindelijk een rookverbod (ook voor medewerkers in de studiezaal!), stuk voor stuk verbeteringen eigenlijk. Wie schetst mijn verbazing dat dit keer de volledige studiezaal was omgetoverd tot entree, opgevuld met wat boekenkasten.

Toegang tot het Nationaal Archief vlakbij het Centraal Station te Den Haag
Toegang tot het Nationaal Archief vlakbij het Centraal Station te Den Haag. Foto: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Nationaal_Archief.jpg

Een dame met een soort corsage stond me op te wachten en verwees me door naar een spliksplinternieuwe balie. Daar moest ik een nieuw pasje laten maken (naar schatting het vijfde ‘klantensysteem’ dat ik meemaakte). Dat pasje diende om een draaihekje door te komen, een verbetering met de supersonische schuifdeur na de vorige verbouwing die niemand ooit open kreeg. Maar voordat die horde genomen kon worden, werd ik gecontroleerd door een veiligheidsbeambte die eerst mijn losse papieren doornamen. Misschien smokkelde ik wel een archiefstuk mee naar binnen!

De nieuwe studiezaal is nu verstopt in wat de ‘universitaire onderzoekers’ in de jaren negentig gekscherend de ‘genealogenkuil’ noemden. In deze wat donkere ruimte stonden toen alle microfilm apparaten waarmee alle verfilmde doop-, trouw- en geboorteregisters bekeken konden worden.

Ik was samen met mijn collega Jan Burgers in het archief voor de afsluiting van het college Middeleeuwse paleografie aan de Universiteit van Amsterdam. We leren studenten middeleeuws schrift lezen, een hele basale praktische vaardigheid maar wel broodnodig voor het doen van onderzoek met originele middeleeuwse bronnen. Het collegezaaltje dat middenin de nieuwe studiezaal was geplant, is overigens schitterend: mooie tafels en (Gispen) stoelen, een laptop met beamer, alle opgevraagde stukken lagen op ons te wachten op een kar, nee we kwamen niets tekort. Hulde voor deze dienstverlening!

Studiezaal van het Nationaal Archief met op de achtergrond het 'leslokaal'. Foto: website van het Nationaal Archief.
Studiezaal van het Nationaal Archief met op de achtergrond het collegezaaltje (met de rode en zwarte strepen). Foto: website van het Nationaal Archief.

Vanuit deze vissenkom merkte ik echter dat het aantal plaatsen voor individuele onderzoekers (‘klanten’) in de studiezaal drastisch was teruggeschroefd. Okay, er is ‘steeds meer’ materiaal digitaal beschikbaar (maar nog steeds niet meer dan een paar procent van de totale bronnenberg die het archief herbergt). Bovendien nemen bezoekers vaker zelf foto’s van het materiaal dat zij willen inzien zodat het eigenlijke onderzoek thuis achter de computer kan plaatsvinden. Toch lijkt het een aanslag op één van de kerntaken van het archief: het ter beschikking stellen van een publieke ruimte waarin iedereen stukken over de Nederlandse (en overzeese) geschiedenis kan opvragen.

PENTAX Image
Etiket op een archiefdoos uit het ‘Algemeen Rijksarchief’, zoals het Nationaal Archief vroeger heette. Het archief van de Nassause Domeinraad is reeds in 1948 zeer goed beschreven en geïnventariseerd.

En dit is nog maar de buitenkant. Volgens mijn welingelichte bronnen is er nog maar een handvol medewerkers op het Nationaal Archief die middeleeuws schrift kunnen lezen. Als die straks met pensioen zijn, bezit het archief dus enkele honderden meters archief waarmee het zelf inhoudelijk niets meer kan doen. Het wordt toch eens tijd dat er weer mensen benoemd worden die de schatten die het archief herbergt ook daadwerkelijk kunnen lezen en de tijd krijgen om deze te ontsluiten ten bate van het (wetenschappelijk) onderzoek. Ik zeg dat niet alleen opdat mijn paleografiestudenten straks een baan kunnen vinden maar uit oprechte bezorgdheid voor de staat van het archief in het jaar 2050.

Toen we om tien voor vijf het archief verlieten stond de dame met de corsage er nog steeds. Zou er echt nog iemand komen?

 

‘Dark ages’ of gouden middeleeuwen?

Wat doe je op een druilerige Hemelvaartsdag met twee kinderen en een logé? Niet naar een overdekte speeltuinhel maar naar het museum natuurlijk! In Leiden is er keus genoeg. Dat treft: in het Rijksmuseum van Oudheden is er een tentoonstelling over de vroege middeleeuwen.

De periode 400-700 staat bekend als de ‘dark ages’, de duistere eeuwen, een periode waarover we eigenlijk heel weinig weten, vooral door het gebrek aan geschreven bronnen. De titel van de tentoonstelling is meteen een statement die het tegenovergestelde beweert: geen duistere maar een gouden periode. Maakt de tentoonstelling deze ambitie waar?

Inderdaad is er veel ruimte voor blingbling. De bekende fibula’s, gespen, muntschatten, helmen en zwaarden schitteren je tegemoet vanuit de bekiste vitrines. Het hoogtepunt van de tentoonstelling is, wat mij betreft, het zwaard van Childerik I (+481), koning van de Franken, in bruikleen van de Bibliothèque Nationale te Parijs.

garde-childeric-300x159

Alleen al het verhaal achter de restanten van dit zwaard is de moeite waard. Het graf van Childerik was in 1653 ontdekt te Doornik, het centrum van het gebied dat deze warlord bestuurde, en bevatte ruim 80 kg aan gouden voorwerpen. Dit bereikte ook de oren van historisch iets minder geïnteresseerde lieden. Zij roofden in 1831 het goud uit het depot en smolten het zaakje om. Wat restanten, waaronder het zwaardgevest en schedebeslag, in goud-met-granaat, werden in de Seine gedumpt; daaraan zat te weinig bruikbaar goud. Maar zelfs dit restje geeft een indrukwekkend beeld van de pracht en praal van het Merovingische hof onder koning Childerik I in de ‘donkere’ vijfde eeuw. In het boek bij de tentoonstelling, geschreven door Annemarieke Willemsen, valt te lezen dat de granaten (halfedelstenen) afkomstig waren uit het grensgebied van India-Pakistan en dus een reis van zo’n 8.000 km moeten hebben afgelegd voordat ze in dit zwaard verwerkt konden worden. Hoe bedoelt u donker?

Childerik I, liet zich naast die kostbaarheden ook nog eens begraven met 21 paarden, (waaronder zijn persoonlijke strijdros) die wel eerst moesten worden gedood voordat ze met de leider ter aarde werden besteld. Dit staaltje kapitaalvernietiging – een paard was het kostbaarste bezit in deze tijd – gold natuurlijk als een ongelofelijk vertoon van rijkdom en macht dat afstraalde op zijn opvolger Clovis, de eerste Christelijke koning van de Franken.

Ruitersteen met een Merovingische krijger,  Hornhausen, ca. 700
Ruitersteen met een Merovingische krijger, Hornhausen, ca. 700

Er zijn nog meer mannen met paarden op de tentoonstelling. Een pronkstuk is de ruitersteen afkomstig uit het Duitse Hornhausen van ca. 700., volgens Willemsen ‘de beste afbeelding van een Merovingische ruiter die er bestaat.’ Ik geloof haar graag. Of het nu een grafsteen was of onderdeel van een kerkinterieur maakt niet zoveel uit; we zien een krijger met schild, zwaard en lans op een reusachtig paard. Okay, het is misschien een ideaalbeeld maar dichterbij de ‘donkere middeleeuwen’ kunnen we toch niet komen?

De vroege middeleeuwen zijn zeker minder duister na het bezoek aan deze tentoonstelling. Voor iemand (zoals ik) die zich vooral met de late middeleeuwen (14de en 15de eeuw) bezig houdt, is er een herkenbaar patroon te zien: de gewapende ruiterij was toonaangevend zowel op sociaal als op politiek gebied en deed er alles aan om zich te onderscheiden van de rest van de samenleving. Dat kon via het dragen van blinkende sieraden of een fraaie wapenuitrusting. En naast het strijdtoneel was een begrafenis het theater bij uitstek om te laten zien hoeveel je ‘waard’ was.

Gaat dat zien deze tentoonstelling. Is er dan niets te zeuren? Ja, altijd. Het concept ‘Nederland’ dat in de tentoonstelling (en op de website van het museum) voortdurend opduikt, heeft natuurlijk niet zoveel met de vroegmiddeleeuwse werkelijkheid te maken. Dat weten de samenstellers ook wel en zal eerder met een soort rechtvaardiging tegenover subsidiegevers te maken hebben. Verder moet een tentoonstelling tegenwoordig ook voor kinderen vooral ‘leuk’ zijn. Ze krijgen een speurtocht in handen gedrukt en zoeken het verder maar uit zodat de ouders rustig kunnen rondkijken. Bij mijn proefpanel werkte deze opzet maar ten dele. Ze hadden eigenijk nauwelijks oog meer voor de tentoonstelling zelf maar waren vooral gericht op het afmaken van de speurtocht.