Sleutelen aan de hofhouding

In de Volkskrant van 25 april las ik dat koningin Beatrix in 1980 een paleisrevolutie doorvoerde:

‘De oude adel vloog eruit. Het hof werd gestroomlijnd als een departement, met aan het hoofd een roulerende grootmeester (…). Ook andere cruciale functies werden aan termijnen van vijf jaar verbonden.’

Beatrix deed niets anders dan wat vorsten eeuwen voor haar ook al deden. De meeste middeleeuwse koningen, hertogen en graven hadden namelijk geen goed zicht op de samenstelling van hun hofhouding. Die dijde alsmaar uit want iedereen wilde wel meeëten uit de vorstelijke ruif. Om een eind te maken aan deze situatie – die vooral financieel de spuigaten uitliep – stelden vorsten ordonnanties op waarin precies stond beschreven wie welke functie bekleedde aan het hof en hoeveel die persoon daarvoor per dag mocht opstrijken. Bovendien benoemden de vorsten al hun hovelingen, van kamerheer tot keukenknecht, slechts voor drie, vier of zes maanden per jaar. Ze dienden bij tourbeurt. Op deze manier konden vorsten veel meer mensen aan zich binden.

Karel de Stoute (r. 1467-1477), geschilderd door Rogier van der Weyden, Berlijn Staatliche Museen
Karel de Stoute (r. 1467-1477), geschilderd door Rogier van der Weyden, Berlijn Staatliche Museen

Dagelijks werden alle uitgaven voor de hofhouding op gagelijsten bijgehouden en de namen op deze lijsten konden gecontroleerd worden aan de hand van de hofordonnantie. De meeste hofordonnanties en gagelijsten van de Bourgondische hertogen staan tegenwoordig online. In het archief van Wenen stuitte ik echter op een nog onbekende gagelijst van 21 juli 1468 van hertog Karel de Stoute (r. 1467-1477). De vorst, die begin juli in Brugge was gehuwd met de Engelse prinses Margaretha van York, bevond zich op dat moment in Den Haag waar hij ingehuldigd werd als nieuwe graaf van Holland. Een Rotterdamse kroniek geeft het volgende verslag:

‘Daarna kwam hij [Karel] naar Holland. Hij werd gehuldigd op 21 juli 1468 te Den Haag waar de gedeputeerden van de steden namens hun poorters de eed aflegden. Vervolgens bezocht hij de belangrijkste steden van Holland waar hij nog eens apart gehuldigd werd en zijn eed aflegde. Verder werd hem een achtjarige bede toegekend van 80.000 pond per jaar. Toen hij in Holland was, hield Karel bovendien audiëntie in de Grote Zaal [Ridderzaal] te Den Haag. Hij ontving verzoekschriften en was bereid klachten aan te horen van wie dan ook. En hij zat daar in vol ornaat met al zijn raadsheren van 12 tot 2 (en soms zelfs tot 3) uur in de middag. Slechts weinigen kregen echter boter bij de vis en de meesten werden doorverwezen naar de kanselier, de financiële commissarissen, de Raad van Holland enzovoort. Dat was omdat men eigenlijk alleen zicht wilde krijgen op de toestand van het land.’

Uit de gagelijst blijkt dat Karel 250 hovelingen bij zich had, waaronder de genoemde raadsheren. Het Binnenhof barstte uit zijn voegen en velen moesten hun toevlucht zoeken in de herbergen van Den Haag. Er figureren Vlamingen, Brabanders, Henegouwers, Picardiërs en Bourgondiërs op de lijst, maar relatief weinig Hollanders en Zeeuwen.

jan van boshuizen detail gagelijst 1468Een uitzondering vormde de Leidenaar Jan van Boschuysen, net als zijn vader Floris een oude vertrouweling van Karel uit de jaren vijftig tijdens zijn ‘Hollandse’ periode. Opvallend is dat Jans naam (Jehan de Buschuyse) in grotere letters is geschreven dan de namen van de personen boven en onder hem. Dat was niet omdat Jan zo’n belangrijk figuur was. Nee, hij voert gewoon een nieuwe salariscategorie aan, een handigheidje van de administrateurs. De personen die voor hem werden genoemd ontvingen nog 9 schellingen, terwijl Jan als sommelier slechts 6 schellingen per dag toucheerde.

Dat klinkt niet als een vetpot – de best betaalde hoveling, de Vliesridder Jacob van Luxemburg, ontving 15 keer zoveel –  en dat was het ook niet: iets meer dan het dagloon van een meester metselaar. De gage was namelijk meer een onkostenvergoeding dan dat een hoveling hiermee zijn levensonderhoud van kon betalen, laat staan dat van zijn gezin. Maar een baantje aan het hof leverde natuurlijk nog veel meer op: zo nu en dan een mooi geschenk (zilverwerk bij een huwelijk of de doop van een kind), extra vergoedingen voor kleding of een paard en niet te vergeten de talloze contacten die een hoveling zelf kon gebruiken of te gelde kon maken.

Willem-Alexander en Maxima plaatsen nu ook hun vertrouwelingen op sleutelposities in hun hofhouding die tegenwoordig uit ruim 300 personen bestaat – bijna net zoveel als in de tijd van Karel de Stoute.

Advertenties

Vorstelijke voetwassing

Op Witte Donderdag 1468, 14 april in dat jaar, waste Karel de Stoute (r. 1467-1477) samen met zijn kapelaan, aalmoezenier en biechtvader de voeten en de handen van dertien arme lieden (treze povres personnes). De plaats waar hij deze daad verrichtte wordt niet nader genoemd maar vermoedelijk verbleef de vorst tijdens de Goede Week in Brugge. Karel en zijn geestelijke hovelingen hadden zich wel witte schorten laten aanmeten zodat hun peperdure kledij nog enigszins beschermd werd tegen het vuil en het druipende water. Na afloop van het ritueel kreeg iedere arme sloeber bovendien nog 13 schellingen toegestopt, een bedrag waarvoor een meester ambachtsman toch al snel twee tot drie dagen moest werken.

De Bourgondische hertog was geïnspireerd door de Goede Week sowieso vrijgevig want her en der, in Rijsel, Nijvel en Brussel deelde hij geldelijke geschenken uit aan de verworpenen der aarde. Een povre femme die zich ophield bij het kartuizerklooster van Scheut, in de nabijheid van Brussel, kreeg maar liefst acht pond toegestopt van Karel. Maar voor de Maria-devotie die aan de oorsprong lag van dit klooster had Karel dan ook een speciale belangstelling.

Voetwassing, door Meister des hausbuches, Gemäldegalerie, Berlijn
Voetwassing, door Meister des hausbuches, Gemäldegalerie, Berlijn

De voetwassing op Witte Donderdag was een gebruik dat Karel en zijn vader Filips de Goede (r. 1419-1467) hadden overgenomen van het Franse koningshuis, waaraan zij immers verwant waren. De vorsten baseerden hun gebruik op een Bijbelpassage uit het evangelie van Johannes, 13: 1-15:

Jezus […] stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had.

Koning Lodewijk IX (Saint Louis, r. 1226-1270) wast de voeten van armen
Koning Lodewijk IX van Frankrijk (Saint Louis, r. 1226-1270) wast de voeten van armen

Het is misschien niet te geloven maar middeleeuwse vorsten namen dit gebruik met veel enthousiasme over. Het paste goed bij hun (ridderlijke) plicht om zorg te dragen voor de zwakkeren in de samenleving en natuurlijk bij de deugd van nederigheid. Daarnaast was er een sterk geloof dat de vorst door aanraking zieken kon genezen. De Franse historicus Marc Bloch schreef hier al in 1926 een baanbrekend boek over. Normaal gesproken werden de voeten van twaalf behoeftigen gewassen, analoog aan de twaalf apostelen. Het is een raadsel waarom Karel de Stoute hier dertien armen onder handen neemt. De twaalf apostelen plus Jezus Christus?

Het verstrekken van geldelijke geschenken aan armen op Witte Donderdag is overigens een traditie die tot op de dag van vandaag door het Engelse koningshuis wordt hoog gehouden. Het gebruik staat bekend als Royal Maundy. Ieder jaar kiest de Engelse vorst een kerk in het land waar een aantal oudere mannen en vrouwen, corresponderend met de leeftijd van de vorst, speciaal geslagen Maundy munten krijgen waarvan de waarde in pence (opnieuw) overeenkomt met de leeftijd van de vorstin. De hoge leeftijd van regerend vorstin Elizabeth levert dus extra vrijgevigheid op!

De paardenpoot van Karel V

Een aandachtige lezer van een recente publicatie in het Geschiedenis Magazine wees me onlangs op twee eigenaardige zaken. Mijn artikel ging over Blijde Intredes in de Nederlanden in de vijftiende en zestiende eeuw. Bijgevoegd was een afbeelding van Karel V (1500-1558) ter gelegenheid van zijn Blijde Intrede in de stad Brugge in 1515. Op deze prachtige miniatuur wordt Karel, op zijn paard gezeten en omringd door hovelingen, tegemoet gereden door leden van het stadsbestuur van Brugge om hem welkom te heten bij de Heilige Kruispoort. De intrede vindt ’s avonds plaats en het tafereel wordt dan ook verlicht door talrijke toortsen bevestigd op de stadspoort en vastgehouden door stedelingen die een welkomsthaag vormen voor de jonge vorst. Karel is gekleed in een rode tuniek en eronder steekt nog net zijn linkerbeen uit. Maar wat is dat nu? Zijn been eindigt als paardenpoot!

Karels paardenpoot

Niets is minder waar. Het perspectief is bedrieglijk maar, zo wees een opmerkzame masterstudente mij terecht toen ik de afbeelding liet zien op college, de voet van Karel is wel degelijk te zien. Hij zit zelfs in een stijgbeugel. Alleen hoort het stukje van de paardenpoot, dat wel precies in het verlengde van Karels been ligt, bij het paard van de hoveling direct naast Karel. Probleem opgelost……

Maar wat moeten we dan aan met de tweede eigenaardigheid op de miniatuur: de man in de ton die achterstevoren op een ezel zit? Die ontsiert toch dit plechtige tafereel, het eerste contact van de nieuwe vorst met zijn onderdanen? Mijn collega Jelle Koopmans duidde het tafereel als een charivari, een spot- en bestraffingsritueel waarbij in dit geval een door zijn echtgenote bedrogen man achterstevoren op een ezel wordt geplaatst en door de stad wordt geleid. Opmerkelijk hier is dat de berijder onherkenbaar in een met kaarsen verlichte ton of toren is geplaatst. Bij een charivari gaat het juist om het publiekelijk te schande zetten van de overtreders van bepaalde sociale conventies én van de slachtoffers van dit gedrag.

Jan de Scheerere, de Brugse rederijker die een verslag op rijm maakte van de intrede, biedt de oplossing:

Een zot ghijnc hem te rijdene pooghen
Met een huzekin, over hem ghetimmert net
Twelc al was vul keirsen en toortsten geset (1)

Een nar moest blijkbaar tegenwicht bieden aan de ernst en de vele formaliteiten die gepaard gingen met de inhuldiging van de nieuwe vorst. Karel zal er zeker om gelachen hebben. Hij was namelijk zo onder de indruk van het spektakel en de tableaux vivants die de stad hem voorschotelde dat hij de intrede enkele dagen later nog eens over wilde doen. De paniek die toen ontstond bij het vuurwerk zorgde er overigens voor dat diverse Bruggelingen kennismaakten met de poten (de echte) van het paard van de landsheer….

 

(1) Zie de editie bij Samuel Mareel, ‘Jan de Scheereres’ Triumphe ghedaen te brugghe ter intreye van caerle’. Teksteditie met inleiding en aantekeningen’, in Jaarboek De Fonteine 55 (2005), 79 – 143.

 

Man en paard

Middeleeuwse vorsten, stadsbesturen, kloosters, edelen en kooplieden hielden allemaal hun administratie goed bij. Zij wilden graag een overzicht hebben van hun financiële staat: hoeveel geld kwam er binnen, en, misschien nog wel belangrijker, hoeveel geld verliet de schatkist. Het is precies daarom dat er zoveel middeleeuwse rekeningen bewaard zijn gebleven. De verantwoordelijke klerken en rentmeesters gaven exact aan waar het geld vandaan kwam of naartoe ging.

Iedere onderzoeker vindt daarom wel iets van zijn gading in middeleeuwse rekeningen, van hardcore economisch historici geïnteresseerd in loon- en prijsontwikkelingen tot meer cultureel geïnteresseerde wetenschappers. Ook historici die zich bezig houden met de middeleeuwse adel kunnen niet om rekeningen heen. Daarbij gaat het soms om kleine alledaagse gebeurtenissen. Zo vond ik onlangs in een rekening van de Brabantse hertog Antoon van Bourgondië (1384-1415) de volgende vermelding:

Item, in den jair 1400 ende thiene doen mijn joncheere ontboden was ten doepsel ende kerstenheide mijns jongen heeren van Brabant zeliger gedinckenissen te Bruessel, staerf Janne van Wilstrop in der voirs. stat van Bruessel … een swert peert af ten prise van 43 cronen die hem mijn joncheere gegeven ende betaelt heeft (…).

 

Afbeelding

Met ‘mijn joncheere’ wordt bedoeld jonker Engelbrecht van Nassau (†1442), heer van Breda en een verre voorvader van Willem van Oranje. In 1404 had hij de prestigieuze heerlijkheid Breda verworven via zijn huwelijk met Johanna van Polanen (zie ook dit bericht). Hij werd al snel een belangrijke raadsheer en vertrouweling van hertog Antoon. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de hertog zijn trouwe vazal uitnodigde voor de doop van zijn zoon Willem (de ‘jonge heer van Brabant’) in juli 1410 die overigens kort daarna stierf. Deze rekeningpost is het enige bewijs van de aanwezigheid van Engelbrecht bij deze heugelijke gebeurtenis. Toch weten we dit alleen dankzij het feit dat er onvoorziene kosten werden gemaakt.

De doop van een vorstenzoon was in de late middeleeuwen een evenement van betekenis en dat moest uitgebreid gevierd worden. Het vorstelijk paar ging met alle hoge gasten – graaf Willem VI van Holland en Zeeland was ook aanwezig – de leden van de hofhouding in vol ornaat en in een lange stoet van het hertogelijk paleis op de Koudenberg naar de Sint-Goedelekerk waar de doop plaatsvond.

Maar voor niets gaat de zon op. Blijkbaar was er tijdens het verblijf in Brussel een zwart paard van een dienaar van Engelbrecht gestorven. Engelbrecht had zijn dienaar het paard vergoed maar legde de rekening nu neer bij zijn rouwende meester. Ook de trouw en de dienstbaarheid van een vazal had zijn financiële grenzen. Later zouden de Nassaus een indrukwekkend stadspaleis bouwen in Brussel met subsidie van het stadsbestuur. Op en neer reizen naar Breda was toen niet meer nodig.

Praalgraaf van Jan IV en Engelbrecht I van Nassau in de Grote Kerk van Breda
Praalgraaf van Jan IV en Engelbrecht I van Nassau in de Grote Kerk van Breda